2.1 Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
2.2 Hoofdverblijf: bij de vaststelling waar iemand zijn hoofdverblijf heeft is niet de inschrijving in de BRP of het hebben van een (huur)woning op een ander adres dan het adres waar iemand hoofdzakelijk verblijft bepalend, maar de feitelijke situatie.
2.3 Gedurende de proefperiode ziet het college, in afwijking van het uitgangspunt van artikel 3 van de Participatiewet, af van het verbinden van gevolgen aan het (tijdelijk) gezamenlijk verblijven, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van deze beleidsregels.