3.1 Op verzoek kan aan één of beide personen die een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, IOAW of de IOAZ, maximaal eens per vijf jaar per persoon een proefperiode worden toegestaan. Indien in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag door één van de aanvragers al gebruik is gemaakt van een proefperiode, wordt de aanvraag afgewezen.
3.2 De proefperiode vangt niet eerder aan dan nadat schriftelijk toestemming is verleend door de gemeente.
3.3 De duur van de proefperiode wordt individueel bepaald en vastgesteld op de periode die nodig wordt geacht om een definitief besluit te kunnen nemen over het samenwonen. Als de periode is vastgesteld op minder dan zes maanden, dan kan de periode bij een door de consulent vastgestelde noodzakelijkheid worden verlengd tot maximaal zes maanden in totaal. Bij het vaststellen van de duur wordt rekening gehouden met de aard van de relatie, eerdere samenwoonervaringen en de noodzaak om tot een zorgvuldig besluit te komen.
3.4 Gedurende de proefperiode ontvangt de bijstandsgerechtigde een uitkering naar de norm die de bijstandsgerechtigde ontving ten tijde van de aanvraag van de proefperiode, tenzij deze norm wijzigt wegens andere omstandigheden dan het samenwonen op proef.