Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Voorwaarden voor gebruik maken van proefperiode

Onderdeel van Beleidsregels Samenwonen op proef gemeente Voorst

4.1 Beide partners vragen gezamenlijk vooraf in de gemeente waar de bijstandsgerechtigde de uitkering ontvangt aan of ze op proef mogen samenwonen, ook als de partner geen uitkering heeft. Wanneer beide partners een uitkering ontvangen van verschillende gemeenten, ziet deze beleidsregel uitsluitend op de bijstandsgerechtigde van de gemeente Voorst. Het is de verantwoordelijkheid van de partners om afstemming te zoeken met de andere betrokken gemeente. 4.2 Beide aanvragers behouden hun eigen woonadres, blijven daar ingeschreven in de BRP en houden de woning beschikbaar voor eigen gebruik. Het is niet toegestaan de woning te (onder) verhuren. Het college kan gemotiveerd afwijken indien vasthouden aan deze voorwaarde leidt tot onredelijke of onbillijke gevolgen. 4.3 Het vereiste van het beschikbaar houden van de woning kan buiten toepassing worden gelaten indien de aanvrager niet beschikt over een eigen woonruimte. 4.4 Een eventuele verhuurder (wooncorporatie) is door de aanvrager op de hoogte gesteld van het tijdelijk niet volledig bewonen van de woonruimte en akkoord is met het tijdelijk niet volledig bewonen van de woonruimte. 4.5 Indien één van de partners gedurende de proefperiode langer dan 28 aaneengesloten dagen buiten Nederland verblijft, wordt de proefperiode beëindigd. Indien de partner na terugkeer opnieuw in aanmerking wil komen voor samenwonen op proef, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend. Daarbij wordt rekening gehouden met de reeds verstreken duur van de proefperiode, met dien verstande dat de totale duur van de proefperiode niet meer bedraagt dan zes maanden.

Rechtspraak bij dit artikel