Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 6.

Brede intake en onderzoek

Onderdeel van Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2026

1.. Het onderzoek als bedoeld in artikel 1 onder o van deze verordening start voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet met het voeren van een gesprek met inwoner (brede intake). 2.. Indien van toepassing brengt het college de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo 2015 of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de inwoner daarom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. Als de inwoner een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet heeft opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het derde lid. 3.. Het college onderzoekt in samenspraak met de inwoner of, in het geval de inwoner een jeugdige is ook met zijn (pIeeg)ouders, danwel zijn wettelijk vertegenwoordiger: de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie en mogelijkheden van de inwoner(en zo nodig zijn (pIeeg)ouders) met het oog op het in kaart brengen van de beperkingen of problematiek van de cliënt en het vaststellen van de hulpvraag van de inwoner; In het geval de inwoner een jeugdige is in de zin van de Jeugdwet onderzoekt het college ook of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de (pIeeg)ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn (pIeeg)ouders. indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen (eigen kracht) van de inwoner en van het sociale netwerk, waaronder ook mantelzorg en gebruikelijke hulp, toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; de mogelijkheden om door middel van algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of algemene voorzieningen het gewenste resultaat te bereiken; de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen (voorzieningen op basis van andere wetten of regelgeving die voorliggend zijn) of door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, leerplicht, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan ondersteuning; de mogelijkheid om een individuele voorziening te verstrekken, op basis van welke wet dit dan zou kunnen en of het college, als sprake is van jeugdhulp, verantwoordelijk is voor de cliënt gelet op toepassing van het woonplaatsbeginsel; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 verschuldigd zal zijn; de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; en indien aan het college overhandigd: het persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 of het familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet. 4.. Het college informeert de inwoner over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en verwerkt de persoonsgegevens op basis van de toepasselijke wettelijke grondslag(en). 5.. Het college wint een (extern) deskundigenadvies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit naar het oordeel van het college vereist. 6.. Het in het lid 5 bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; of bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIGregister.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel