De burgemeester beoordeelt of een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is in ieder geval op basis van de volgende beoordelingsaspecten:
a. Aard en de ernst van de feiten en omstandigheden
- Bij de slechtlevensgedragstoets wordt gekeken naar uit het onderzoek gebleken feiten en omstandigheden en/of gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de betrokkene als verantwoordelijke voor de vergunningsplichtige activiteit het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid nadelig kan beïnvloeden.
b. Aantal feiten en omstandigheden:
- Bij de toets speelt het aantal feiten dat naar voren komt een rol. Daarbij wordt ook gekeken naar een mogelijk patroon. Ook wordt rekening gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig kunnen worden beschouwd, maar die in samenhang bezien met andere gedragingen als een bepaald gedragspatroon kunnen worden beschouwd waaruit blijkt dat de betrokkene de voor hem geldende wet- en/of regelgeving niet of niet naar behoren naleeft. Ook in dat geval kan er vrees bestaan voor de kwaliteit van het woon- en leefklimaat, de openbare orde of de veiligheid.
c. Type onderneming of activiteit:
- Verschillende branches, ondernemingen of activiteiten kennen verschillende risico’s en verantwoordelijkheden. In iedere beoordeling weegt mee welke risico’s en verantwoordelijkheden verbonden zijn aan de vergunning die nodig is voor een specifieke onderneming of activiteit. In bijlage 1 behorend bij deze beleidsregel is een niet-limitatieve lijst opgenomen van feiten en gedragingen die in ieder geval relevant zijn en worden meegewogen bij de beoordeling van het levensgedrag.
d. De periode waarin de feiten zijn gepleegd:
– In beginsel worden enkel de feiten en gedragingen meegewogen in de beoordeling van het levensgedrag, die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het te nemen besluit op basis van de onder artikel 4 opgevraagde informatie zijn gebleken dan wel zijn geconstateerd of in deze periode bij rechterlijke uitspraak zijn komen vast te staan. Daarbij heeft te gelden dat dit betekent dat feiten kunnen worden meegenomen met een oudere pleegdatum of –periode dan vijf jaar, maar die binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan het te nemen besluit zijn geconstateerd of zijn komen vast te staan.
– Bij de berekening van deze periode van vijf jaar gelden voorts de volgende uitgangspunten:
• Voor de berekening telt de periode waarin een betrokkene is gedetineerd of van zijn vrijheid is beroofd vanwege het ondergaan van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis niet mee.
• De periode van vijf jaar wordt bepaald op basis van terugtelling vanaf het moment van indienen van de vergunningaanvraag.
• Wanneer slecht levensgedrag bij een reeds verleende vergunning wordt getoetst, omdat er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor toetsing, wordt de periode van vijf jaar bepaald op basis van terugtelling vanaf het moment dat de toetsing van het levensgedrag plaatsvindt.
• Wanneer slecht levensgedrag bij een reeds verleende vergunning wordt getoetst, omdat er een nieuwe betrokkene op de vergunning dient te worden bijgeschreven, wordt de periode van vijf jaar bepaald op basis van terugtelling vanaf het moment van aanmelden van de nieuwe betrokkene bij de gemeente.
– Als in deze periode van vijf jaar één of meerdere feiten worden geconstateerd die een aanwijzing vormen dat sprake is van slecht levensgedrag, wordt ook verder dan vijf jaar teruggekeken. Feiten die hebben plaatsgevonden in de laatste vijf jaar (de recente feiten) tellen bij de beoordeling zwaarder mee dan feiten van langer dan vijf jaar geleden.
e. Opgelegde straf of maatregel:
– Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist voor de vaststelling dat sprake is van slecht levensgedrag. Wanneer een betrokkene echter strafrechtelijk is veroordeeld, weegt dit mee in de beoordeling. Ook de soort, hoogte en zwaarte van de opgelegde straf of maatregel weegt in dat geval mee in de beoordeling. Feiten die door het Openbaar Ministerie middels een transactie zijn afgedaan, worden ook bij de beoordeling van het levensgedrag betrokken.
– Feiten die zijn geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en ook feiten waarop ontslag van alle rechtsvervolging of vrijspraak is gevolgd, kunnen worden betrokken bij de beoordeling, echter niet als een zelfstandige weigeringsgrond.
– Opgelegde strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen wegen mee in de beoordeling. Het is niet vereist dat er strafrechtelijke of bestuursrechtelijke maatregelen zijn opgelegd voor de vaststelling dat sprake is van slecht levensgedrag, maar wanneer dit heeft plaatsgevonden weegt dit mee in de beoordeling.
f. Aannemelijkheid:
De gedragingen die worden meegewogen bij de beoordeling omtrent slecht levensgedrag moeten aannemelijk zijn. De beoordeling of een betrokkene niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is, vindt plaats in een bestuursrechtelijk kader. Strafrechtelijke bewijsregels zijn derhalve hierop niet van toepassing.
Artikel 5.
Beoordelingsaspecten
Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Vlissingen 2026