Naar hoofdinhoud
Voor de berekening van de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, en 19, derde lid, van de verordening, wordt uitgegaan van een schooljaar van 40 weken. De gemeente vergoedt de goedkoopst mogelijke vorm van openbaar vervoer, gebaseerd op de tarieven van de betreffende OV-aanbieder. Daarbij wordt uitgegaan van: Het gebruik van een OV-chipkaart of een andere binnen de regio geldende betaalwijze, en Het meest voordelige reisproduct of abonnement dat voor de betreffende leerling en, indien van toepassing, diens begeleider beschikbaar is. Bij het bepalen van de vergoeding wordt rekening gehouden met eventuele kortingen, acties of prijsvoordelen binnen het openbaarvervoersysteem, inclusief die welke van toepassing zijn op een begeleider. De vergoeding wordt verstrekt in twee termijnen: De eerste termijn aan het begin van het schooljaar; De tweede termijn aan het begin van januari.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel