Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 17

Ontoelaatbaar gedrag leerling in verstrekte vervoersvoorziening

Onderdeel van Besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal tot vaststelling van de Beleidsregels leerlingenvervoer Veenendaal 2026

Onder ontoelaatbaar gedrag wordt verstaan: elk gedrag van de leerling dat de veiligheid, orde of hygiëne in het (aangepaste) vervoer verstoort of in gevaar brengt of waarbij materialen of eigendommen binnen het voertuig opzettelijk worden beschadigd. In situaties, waarbij een leerling ontoelaatbaar gedrag vertoont in het aangepaste vervoer, worden ouders hiervan schriftelijk of telefonisch op de hoogte gebracht en kan hen de gelegenheid geboden worden hun kind te (laten) begeleiden in het aangepast vervoer. Als een leerling die met aangepast vervoer naar school gaat ontoelaatbaar gedrag vertoont waarmee de leerling een gevaar voor zichzelf of anderen veroorzaakt, bedreigend of onhygiënisch is, wordt door het college onderzocht of een (medische) oorzaak hieraan ten grondslag ligt en of de verstrekte vervoersvoorziening kan worden aangepast. Als een leerling op een andere manier reist dan met het aangepast vervoer, bedoeld in lid 1, en ontoelaatbaar gedrag vertoont in dat vervoer, worden ouders hiervan schriftelijk of telefonisch op de hoogte gebracht en kan hen de gelegenheid geboden worden hun kind te (laten) begeleiden. Bij ontoelaatbaar gedrag van een leerling in het aangepaste vervoer, als bedoeld in de leden 1, 2 en 3, onderzoekt het college of er een noodzaak is voor begeleiding of de inzet van individueel vervoer en kan het college zich laten adviseren door een externe deskundige, als bedoeld in artikel 16 van de Verordening. Als uit het onderzoek blijkt dat een leerling niet zelfstandig met het (aangepaste) vervoer kan reizen, zijn de ouders verantwoordelijk voor het organiseren van de begeleiding voor de leerling. Het college kan op grond van het onderzoek, bedoeld in lid 4, besluiten de vervoerskosten van een begeleider te bekostigen. Als de in lid 5 genoemde begeleiding niet wordt geleverd of als het gedrag van de leerling niet ten positieve keert, kan het college besluiten het (aangepaste) vervoer te beëindigen, op te schorten of de vervoersvoorziening in te trekken.

Rechtspraak bij dit artikel