Het CVV is een collectieve vervoersvoorziening van deur tot deur, bedoeld voor verplaatsingen binnen de regio en naar bestemmingen zoals winkels, familie, huisarts of sociale of recreatieve activiteiten. De cliënt reserveert vooraf een rit. De cliënt kan het CVV tegen het volle tarief gebruiken. De cliënt betaalt een instap- en ritbijdrage. Op grond van de Wmo kan een kortingspas worden verstrekt. Met korting zijn de kosten vergelijkbaar met de kosten van het openbaar vervoer.
Begeleiding:
Een medisch begeleider reist gratis mee als de cliënt tijdens de rit medische ondersteuning nodig heeft, zoals het toedienen van medicatie. Medische begeleiding kan alleen worden toegekend als de cliënt om een medische reden niet alleen mag reizen. Een cliënt met een dergelijke indicatie mag dus niet alleen reizen met de Valleihopper. De medisch begeleider is tenminste 12 jaar oud, is in staat om hulp te verlenen en gebruikt zelf geen rolstoel.
Een sociaal begeleider kan meereizen tegen hetzelfde tarief als de cliënt voor, tijdens of na de rit sociale begeleiding nodig heeft, bijvoorbeeld om de rolstoel te duwen of voor de oriëntatie als de cliënt zich niet zelfstandig kan oriënteren. Bij de beoordeling van een indicatie voor sociale begeleiding kan het Wmo-loket rekening houden met een partner. Als een cliënt altijd samen met een partner reist en het als zeer onwenselijk wordt ervaren als alleen de cliënt met korting met de Valleihopper kan reizen, kan een indicatie sociale begeleiding voor de partner worden overwogen.
Cliënten krijgen een kilometerbudget van standaard 2.500 km per jaar bij verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura voor regionaal vervoer.
Pgb voor regionaal vervoer
Het Wmo-loket hanteert uit oogpunt van doelmatigheid bij het toekennen van een voorziening voor regionaal vervoer het primaat van het verstrekken in natura. Dit betekent dat de cliënt in mindere mate de keuze heeft voor verstrekking in de vorm van een pgb.
Heeft een cliënt ondersteuning nodig voor regionaal vervoer en kan hij geen gebruik maken van de Valleihopper-ook niet met ondersteuning van een begeleider of met de optie ‘individueel vervoer’, dan motiveert hij in een budgetplan waarom hij geen gebruik kan maken van collectief vraagafhankelijk vervoer. Denk aan medische beperkingen waardoor iemand medische ondersteuning nodig heeft tijdens de rit die niet in de taxi van de Valleihopper kan worden geboden of beperkingen waardoor ritten niet gepland kunnen worden. In het budgetplan geeft de cliënt ook aan wat zijn vervoersbehoefte is (bestemmingen en frequentie). Het pgb voor regionaal vervoer wordt afgestemd op de noodzakelijke vervoersbehoefte in het kader van maatschappelijke participatie.
Praktische bezwaren tegen het reizen met de Valleihopper (zoals wachttijden en het moeten reserveren van een rit), de wens tot meer vrijheid of de wens om te reizen buiten de indicatie (zoals reizen buiten de regio), zijn geen redenen om ondersteuning bij het regionaal vervoer in de vorm van een pgb te verstrekken.
Het Wmo-loket kan een pgb verstrekken voor regionaal vervoer, verzorgd door iemand uit het sociaal netwerk of door een taxibedrijf. Het Wmo-loket kent in beginsel de goedkoopst adequate voorziening toe.
Sociaal netwerk
Vraagt de cliënt om een pgb voor regionaal vervoer door iemand uit het sociaal netwerk, dan beoordeelt het Wmo-loket of deze ondersteuning passend, veilig en duurzaam kan worden geleverd en of er sprake is van vrijwillige inzet.
Taxibedrijf
Vraagt de cliënt om een pgb voor regionaal vervoer door een taxibedrijf, dan stelt het Wmo-loket de hoogte van het pgb vast aan de hand van een of meerdere offertes van taxibedrijven.
Het pgb voor vervoer door een taxibedrijf bedraagt maximaal de kostprijs van het vervoer in natura dat de gemeente voor een vergelijkbare vervoerindicatie zou inzetten. Het pgb wordt vastgesteld op basis van de gemiddelde contractkosten voor vervoer met de Valleihopper. Het pgb biedt geen recht op meer of luxer vervoer dan het vervoer in natura.
Het Wmo-loket verwacht van de cliënt dat hij een adequate administratie bijhoudt van de besteding van het pgb, waaronder de data, de bestemmingen van de gemaakte ritten en, bij een pgb voor vervoer door een taxibedrijf, de naam van het taxibedrijf. Het Wmo-loket kan de cliënt periodiek vragen om onderbouwing van de besteding van het pgb. Kan de cliënt niet aantonen dat het pgb is besteed volgens de voorwaarden die daaraan gesteld zijn in de beschikking, dan kan de toekenning van het pgb worden heroverwogen door het Wmo-loket.
Hoofdstuk 10. › Paragraaf 10.2
Artikel 10.2.2