De Wlz gaat voor de Wmo. Dit betekent dat wanneer een cliënt voldoende in zijn beperkingen gecompenseerd kan worden met Wlz-zorg, het Wmo-loket voor die hulpvraag geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Hieruit volgt dat het Het Wmo-loket een aanvraag van een maatwerkvoorziening kan afwijzen wanneer de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Wmo-loket kan ook een aanvraag van een maatwerkvoorziening afwijzen als de client wel voor een Wlz-voorziening in aanmerking kan komen, maar geen Wlz-indicatie wil aanvragen.
Het Wmo-loket kan de betreffende casus anoniem bespreken met het zorgkantoor om te beoordelen of een Wlz-aanvraag kansrijk is.
Dat de eigen bijdrage voor een Wlz-voorziening hoger kan zijn dan die van een Wmo-voorziening is geen reden de voorziening toe te kennen op grond van de Wmo.
Voorbeeld:
Een cliënt vraagt een spoel-/föhninstallatie aan voor op het toilet. Omdat aan de cliënt op grond van de Wlz een indicatie is verstrekt voor ondersteuning bij de toiletgang is er geen noodzaak om een Wmo-voorziening te verstrekken.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.10
Artikel 5.10.1