1.. Het college kan aan een ontheffing voorschriften verbinden en beperkingen stellen ter bescherming van de belangen waarvoor de verkeersmaatregel is ingesteld.

2.. Het college kan een ontheffing beperken door voorschriften te stellen over in- en uitrijdroutes, tijdstippen, de maximale verblijfsduur binnen het gesloten gebied, bijbehorende gedragsregels en het maximaal aantal toegestane kentekens dat onder de ontheffing mag inrijden.

3.. De ontheffingshouder is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen.

4.. Aan een ontheffing zijn in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

  • - binnen het voetgangersgebied wordt max. 15 km/u (stapvoets) gereden;
  • - voetgangers en overige verkeersdeelnemers mogen niet zodanig worden gehinderd dat zij in gevaar worden gebracht;
  • - de kortste route van en naar de bestemming wordt gevolgd, met inachtneming van de geldende verkeersregels (zoals eenrichtingsverkeer);
  • - het gebruik van het gesloten gebied als sluiproute is niet toegestaan;
  • - tijdens laden en lossen wordt de motor uitgezet, tenzij dit vanwege technische eisen of voedselveiligheidsnormen niet mogelijk is;
  • - geluidsoverlast wordt zoveel mogelijk beperkt en is nooit in strijd met het geldende milieurecht;
  • - het gebruik van de ontheffing mag geen verkeersonveilige situatie opleveren en de doorgang van hulpdiensten niet belemmeren;
  • - aanwijzingen van politie of toezichthouders worden onmiddellijk opgevolgd.

5. Het college kan de voorschriften gedurende de looptijd wijzigen indien dit noodzakelijk is uit oogpunt van verkeersveiligheid of andere dringende redenen van algemeen belang.