4.3.1 Algemeen
Uitgangspunten inrichting
Waarom
Verwijzing ambities H3
Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet een waterhuishoudkundig plan en rioleringsplan worden opgesteld conform Beleidsplan Water en Riolering, Kaderrichtlijn Water, Omgevingsweg en overige landelijke regelgeving en normen.
Dit geeft aan hoe water zich gedraagt op de locatie en zorgt voor regelmatige naleving.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Bij het ontwerp van rioleringen gelden aanvullend de volgende richtlijnen: Leidraad Rioleringen (Rioned), Materiaallijst (rioleringen, pompen en gemalen), Machinerichtlijn (pompen en gemalen), VGRP 2018-2021.
Dit zijn landelijke kwaliteitseisen waar u zich aan moet houden.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
De richtlijnen uit de meest recente landelijke “Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving” moeten worden aangehouden bij nieuwe ontwikkelingen.
Dit helpt de gemeente om beter bestand te zijn tegen extreem weer als gevolg van klimaatverandering.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
In waterwingebieden gelden aanvullende regels. Het waterhuishoudkundig plan en rioleringsplan dienen te worden afgestemd met het bevoegd gezag.
Dit zorgt voor behoud van schoon drinkwater.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
Rioolputten voorzien van gietijzeren putdeksels met gemeentelogo.
-
-
4.3.2 Vuilwaterafvoer (huishoudelijk afvalwater)
Uitgangspunten inrichting
Waarom
Verwijzing ambities H3
Realiseer een rioolstelsel met voldoende aansluitleidingen voor zowel geplande als toekomstige panden.
Dit zorgt dat afvalwater van alle huishoudens kan worden afgevoerd en maakt toekomstige uitbreiding mogelijk.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
Het afvalwater van een ontwikkeling moet worden aangesloten op het gemeentelijke rioolwaterzuiveringssysteem. Dit vergt aanleg van een vuilwaterriolering (DWA) die aansluit op het bestaande aangrenzende vrijvervalsysteem of drukrioleringsysteem.
Dit zorgt voor centraal beheer en behandeling van afvalwater.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
Voor aansluiting op drukriolering is een berekening van het systeem noodzakelijk om de werking van het riool in de nieuwe situatie aan te tonen. Het aansluiten op het vrijvervalsysteem heeft de voorkeur boven aansluiting op de drukriolering of de uitbreiding middels een nieuw gemaal
Vrijvervalriolering werkt energieloos, is minder storingsgevoelig en is eenvoudiger in onderhoud.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
4.3.3 Hemelwaterafvoer (regenwater)
Uitgangspunten inrichting
Waarom
Verwijzing ambities H3
Bovengrondse infiltratiesystemen hebben voorkeur boven ondergrondse systemen. Realiseer deze middels (in volgorde van voorkeur): (1) Wadi-systeem; (2) Gecontroleerde oppervlakkige berging binnen plangebied; (3) Vergroting oppervlakte openwater (alleen na toestemming Waterschap Rivierenland).
Bovengrondse systemen zijn duurzamer, beter voor infiltratie en bieden mogelijkheden voor dubbel gebruik (groen, speelruimte, natuur).
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Ondergrondse infiltratiesystemen worden gerealiseerd volgens deze technieken (in volgorde van voorkeur): (1) Infiltratiebuizen; (2) Infiltratiekelders; (3) Infiltratieringen; (4) Infiltratiekratten; (5) Infiltratiekoffers gevuld met grind/lava/breuksteen.
Wanneer bovengronds niet kan, zijn ondergrondse systemen volgende keuze.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Het infiltratiesysteem wordt bepaald op basis van de feitelijk blijkende infiltratiemogelijkheden, -capaciteiten en terreinsituatie. Per locatie dient onderzoek plaats te vinden naar grondsoort en ondergrondse omstandigheden waaronder de grondwaterstanden, waterdoorlatendheid, kwelgevoeligheid enz.
Elke locatie is anders; één systeem past niet overal.
3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Uitgangspunt (Beleidsplan Water en Riolering) bij nieuwe ontwikkelingen is dat al het hemelwater binnen het plangebied wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Hiervoor geldt de bergingseis van 66,4 mm/m² verhard oppervlak. Hiervoor dient een waterhuishoudkundig plan te worden opgesteld. Het plan dient met gemeente Heumen te worden afgestemd. Bij ontwikkelingen die grenzen aan of aansluiten op het watersysteem van Waterschap Rivierenland dient ook het waterschap te worden betrokken.
Dit voorkomt wateroverlast en zorgt voor aanvulling van het grondwater.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Bij combinatie van ondergrondse en bovengrondse infiltratiesystemen geldt in basis de volgende verdeling: berging ondergronds 20-30 mm per m² verhard oppervlak. Voor de overige 46,4-36,4 mm kan oppervlakkige berging worden toegepast. Bij oppervlakkige berging mag het systeem niet 'leeg' kunnen lopen naar de omgeving; een hoogteplan maakt hiervan onderdeel uit van het waterhuishoudkundig ontwerp.
Dit verdelen zorgt voor optimaal beheer en ruimtegebruik en voorkomt wateroverlast in omgeving.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Ook bij sloop en herbouw spreken we van nieuw verhard oppervlak. Salderen is dan niet toegestaan. Ontwikkelingen dienen op eigen terrein voldoende infiltratievoorzieningen aan te leggen en mogen hemelwater niet op de openbare weg of aangrenzende percelen afwateren.
Dit voorkomt overbelasting van openbare riolering en wateroverlast bij buren.
3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
De bodem van infiltratievoorzieningen dient minimaal 50 cm boven de Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen.
Dit garandeert een goede infiltratie en vervuiling van grondwater.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
Bij berging kunnen bovengrondse en ondergrondse infiltratiesystemen in combinatie worden toegepast. Ondergronds wordt vaak voor berging en transport ingezet. Bovengrondse infiltratie is gunstig als landschapselement en voor dubbel ruimtegebruik.
Dit geeft flexibiliteit per situatie.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
In infiltratieputten in infiltratieriool een zandvang van minimaal 50 cm diep toepassen, onder de laagste aansluiting op de rioolput. Indien de rioolput niet of moeilijk toegankelijk is voor onderhoud en inspectie, dient een doorlopend stroomprofiel te worden toegepast in plaats van een zandvang.
Dit zorgt voor een goede onderhoudbaarheid van het rioolstelsel en voorkomt verstoppingen.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
Infiltratiemogelijkheden van ondergronden onderzoeken en berekenen. Minimale infiltratiewaarde van 0,5m/dag in de ondergrond is benodigd om ter plaatse te kunnen infiltreren.
Waar nodig infiltratiecapaciteit verbeteren of in directe omgeving infiltratie- of bergingscapaciteit zoeken en benutten. Uitgangspunt is dat al het water op het eigen perceel dient te worden opgevangen en verwerkt via infiltratie.
Dit zorgt voor klimaat adaptieve waterhuishouding per perceel.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
4.3.4 Wadi's (Water-Afvoer-Drainage-Infiltratie-voorziening)
Uitgangspunten inrichting
Waarom
Verwijzing ambities H3
Inpassing in de omgeving middels natuurlijke glooiingen zonder 'harde' knikken ter plaatse van voet- en kruintaluds. Wadi's worden komvormig of met een vlakke bodem afwerken. Taluds niet steiler dan 1:3 om machinaal te kunnen maaien.
Dit past beter in het landschap en geeft natuurlijke uitstraling.
3.5 Natuurinclusief
De voorkeur gaat uit naar mogelijk meervoudig gebruik van de wadi, bijvoorbeeld in combinatie met een speelveld of groenstrook. In de wadi mogen diverse bodemniveaus voorkomen, waarbij gebruik gemaakt kan worden van het natuurlijk bodemverloop.
Wadi biodivers inrichten met kruidenrijke groenstroken en speelfuncties inrichten waar mogelijk.
Dit geeft meerwaarde aan het terrein en verhoogt gebruiksmogelijkheden.
3.5 Natuurinclusief
Bij opbouw en inrichting van wadi's dient rekening te worden gehouden met de aanwezige ondergrond. Een goede samenhang tussen inrichting en ondergrond draagt bij aan optimaal functioneren van de wadi en kan bijdragen aan toename van biodiversiteit.
Dit verbetert infiltratie en ecologische waarde.
3.5 Natuurinclusief
Lediging van de wadi binnen 48 uur.
Dit voorkomt aantasting van gras en zorgt voor voldoende berging voor een volgende bui.
3.1 Klimaatbestendig en klimaatneutraal
4.3.5 Pompen en persleiding
Uitgangspunten inrichting
Waarom
Verwijzing ambities H3
Aanbrengen ontluchtingstoestel op het hoogste punt in de persleiding voor de afdaling en/of na de stijging. Dit toestel moet aanwezig zijn daar waar de persleiding in een zinker of onder een watergang doorloopt.
Dit voorkomt dat lucht in de buis vastzit wat de pompfunctie kan verstoren.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
Onder het toegangsluik of schachtafdekking dient per pomp een in twee delen deelbaar veiligheidsrooster te worden aangebracht in de gemalen
Dit beschermt mensen tegen vallen en ongevallen.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
Per drukrioolpompput dienen maximaal 5 woningen te worden aangesloten.
Dit houdt het systeem simpel en beheersbaar.
3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Iedere installatiekast met inkomende voeding van het energiebedrijf dient voorzien te zijn van een afzonderlijke aarding.
Dit is een veiligheidsvereiste.
3.2 Gezonde, veilige leefomgeving
De afmeting van een gemaal pompput wordt bepaald aan de hand van de bediening van de pomp en de benodigde pendelberging. De put heeft minimaal een afmeting van 1,25m × 1,25m en 0,90m diepte onder b.o.b. De intredende buis wordt uitgevoerd in beton of PE.
Dit geeft voldoende ruimte voor onderhoud en werking van de installatie.
3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Afstand tussen pompput en schakelkast: bij plaatsing van een losse schakelkast met betonfundatie mag de afstand tot de pompput niet meer bedragen dan 3 meter.
Dit is praktisch voor de werking van en onderhoud aan de installatie.
3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik
Omgeving van het gemaal dient middels verharding om onkruidvorming tegen te gaan.
Gemalen en drukriool putten en besturingskasten worden op gemeentelijk eigendom geplaatst. En zijn bereikbaar voor een reinigingsvoertuigen.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Riolering en water
Onderdeel van Handboek Inrichting Openbare Ruimte HIOR gemeente Heumen