In deze beleidsregel wordt voor het bepalen van het type maatregel en de sluitingsduur onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen.
Woning
Een woning is een verblijf dat in hoofdzaak dient tot woning dan wel dienstbaar is aan het wonen. Het is een plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook de daadwerkelijk, feitelijk daaraan gegeven bestemming.
Iemand die incidenteel overnacht in een woning wordt niet aangemerkt als bewoner en het betreffende pand is daarmee geen woning.
Een inschrijving in de Basisregistratie Personen is een indicatie voor bewoning, maar is niet doorslaggevend. Soms kan er sprake zijn van schijnbewoning, bijvoorbeeld als bewoning wordt gesimuleerd door het plaatsen van wat schaars meubilair of kleding. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk, zodat dan niet wordt aangenomen dat sprake is van een woning. Het betreffen niet alleen koopwoningen en huurwoningen, maar bijvoorbeeld ook stacaravans, woonwagens en woonschepen.
In de beleidsregel wordt voor wat betreft de te treffen maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur.
Lokaal
Onder een lokaal en het daarbij behorende erf wordt het volgende verstaan: alle al dan niet voor publiek opengestelde lokalen en daarbij behorende erven zoals winkels, horecabedrijven, hotels, buurthuizen, clubhuizen, bedrijfsruimten, magazijnen en loodsen.
Het kan voorkomen dat drugshandel of voorbereidingshandelingen of daaraan gerelateerde signalen of voorwerpen tegelijkertijd zowel in een woning als in een lokaal of een ander deel van het bijbehorende erf worden aangetroffen. Kunnen de woning en het lokaal (en het bijbehorende erf) worden aangemerkt als een samenhangend geheel dan kan de burgemeester voor het geheel een maatregel treffen. Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Dit laatste kan het geval zijn als in een lokaal een hennepkwekerij wordt aangetroffen en ten behoeve van die kwekerij bij de meter in de woning (illegaal) elektriciteit wordt afgetapt. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn. Is één van de samenhangende onderdelen een woning, dan geldt bij de te treffen maatregel op grond van deze beleidsregel als uitgangspunt dat op het geheel het regime dat geldt voor woningen wordt toegepast.
Indien er sprake is van minderjarige bewoners/betrokkenen in een woning waarin drugs worden aangetroffen dan wel waar sprake is van voorbereidingshandelingen, wordt er een melding gedaan bij Veilig Thuis.
Een last tot sluiten van een woning of lokaal is een pandgebonden maatregel. Dit betekent dat een eventuele overdracht van het pand of de komst van nieuwe huurders, de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet als zodanig niet aantast.
In deze beleidsregel wordt bij de te treffen maatregelen onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Dat geldt zowel bij drugshandel als bij voorbereidingshandelingen. Zowel in de Aanwijzing Opiumwet als door de Afdeling wordt dit onderscheid gemaakt.
De ratio van dit onderscheid is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs. Ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid.
Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben daarmee een grotere negatieve invloed op, en brengen grotere (gevaars)risico’s met zich mee voor het woon- en leefklimaat. Dit laatste moet wel worden genuanceerd omdat ook de handel in en productie van softdrugs zeer crimineel is waarbij geweld, bedreiging en intimidatie niet worden geschuwd (onder andere bij ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs.
Daarom worden in deze beleidsregel bij overtredingen van de Opiumwet ter zake harddrugs in het algemeen strengere maatregelen toegepast, dan bij vergelijkbare overtredingen met softdrugs. Is er sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt als uitgangspunt dat de regels worden toegepast die gelden bij harddrugs. De concrete omstandigheden van een geval kunnen nopen tot een andere, minder ingrijpende maatregel.
Onder een gebruikershoeveelheid harddrugs wordt een hoeveelheid/dosis van 0,5 gram of 0,5 milliliter (of één bolletje, één ampul, één wikkel of één pil/tablet) verstaan, terwijl onder een gebruikershoeveelheid bij softdrugs verstaan wordt, een hoeveelheid van maximaal 5 gram of 5 hennepplanten.
Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van misdrijven en overtredingen van het gestelde bij of krachtens de Opiumwet. Het strafrechtelijke optreden richt zich op de bij de handel of productie betrokken personen. Strafrechtelijke sancties hebben een punitief karakter, omdat op de overtreding een straf volgt. Om ook handhavende maatregelen te nemen tegen het gebruik van de woningen of lokalen waarin overtredingen zijn begaan, kan de burgemeester aanvullend gebruik maken van de bestuursrechtelijke mogelijkheden. De bestuurlijke maatregelen die de burgemeester treft, hebben een herstellend karakter. De bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot strafrechtelijk optreden staat los van bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester. Dat geldt ook andersom; als het Openbaar Ministerie niet strafrechtelijk optreedt, blijft de burgemeester bevoegd bestuursrechtelijk op te treden.
De in de beleidsregel geregelde onderwerpen moeten worden gezien als uitgangspunten, waarvan in bijzondere situaties altijd kan worden afgeweken. Als feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven kan de burgemeester gemotiveerd van de uitgangspunten in deze beleidsregel afwijken door strenger of juist soepeler toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 5