Onderstaande volgorde wordt toegepast voor het toewijzen van een standplaats:
- - Inwonende kinderen
- - Uitwonende kinderen
- - Inwonende kleinkinderen
- - Uitwonende kleinkinderen/Spijtoptanten
- - Ouders
- - Broers/zussen
- - Ooms/tantes
- - Neven/nichten
- - Wachtlijst
3.1 Inwonende kinderen
Kinderen vanaf 18 jaar die aantoonbaar minimaal 5 jaar feitelijk inwonen én ingeschreven staan bij hun ouder(s) op de woonwagenlocatie. Zijn er meerdere inwonende kinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt geselecteerd op leeftijd (van oud naar jong).
3.2 Uitwonende kinderen
Kinderen vanaf 18 jaar die voorheen aantoonbaar feitelijk bij hun ouder(s) op de woonwagenlocatie hebben gewoond én ingeschreven hebben gestaan. Zij zijn in een andere woonvorm gaan wonen, omdat er geen uitzicht was op een standplaats. Zijn er meerdere uitwonende kinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt geselecteerd op leeftijd (van oud naar jong).
3.3 Inwonende kleinkinderen
Kleinkinderen vanaf 18 jaar die aantoonbaar minimaal 5 jaar feitelijk inwonen en ingeschreven staan bij hun grootouder(s) op de woonwagenlocatie. Zijn er meerdere inwonende kleinkinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt geselecteerd op leeftijd (van oud naar jong).
3.4 Uitwonende kleinkinderen/Spijtoptanten
Kleinkinderen/spijtoptanten vanaf 18 jaar die aantoonbaar feitelijk bij hun grootouder(s)/op de woonwagenlocatie hebben gewoond én ingeschreven hebben gestaan. Zij zijn in een andere woonvorm gaan wonen, omdat er geen uitzicht was op een standplaats. Zijn er meerdere uitwonende kleinkinderen op de woonwagenlocatie die in aanmerking komen voor een standplaats, dan wordt geselecteerd op leeftijd (van oud naar jong).
Spijtoptanten zijn voormalige bewoners van een woonwagenlocatie die voorheen een standplaats/woonwagenwoning bewoonden, maar vrijwillig vertrokken zijn naar een andere woonvorm. Hierbij heeft de spijtoptant met de meeste woonhistorie/ familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als er spijtoptanten zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de spijtoptant met de meeste familiebanden voorrang ten opzichte van de ander. Als er dan nog sprake is van gelijkheid dan bepaalt de gemeente op welke wijze en aan wie de standplaats wordt toegewezen. Wie de meeste rechten heeft wordt bepaald door de gemeente.
3.5 Ouders
Ouders van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de ouder met de meeste familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als beide gelijke familiebanden hebben op de locatie dan bepaalt de gemeente op welke wijze en aan wie de standplaats wordt toegewezen. Wie de meeste rechten heeft wordt bepaald door de gemeente.
3.6 Broers/zussen
Broers of zussen van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de broer/zus met de meeste woonhistorie/familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als er broers/zussen zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de broer/zus met de meeste familiebanden voorrang ten opzichte van de ander. Als er dan nog sprake is van gelijkheid dan bepaalt de gemeente op welke wijze en aan wie de standplaats wordt toegewezen. Wie de meeste rechten heeft wordt bepaald door de gemeente.
3.7 Ooms/tantes
Ooms of tantes van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de oom/tante met de meeste woonhistorie/familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als er ooms/tantes zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de oom/tante met de meeste familiebanden voorrang ten opzichte van de ander. Als er dan nog sprake is van gelijkheid dan bepaalt de gemeente op welke wijze en aan wie de standplaats wordt toegewezen. Wie de meeste rechten heeft wordt bepaald door de gemeente.
3.8 Neven/nichten
Neven of nichten van bewoners van een woonwagenlocatie. Hierbij heeft de neef/nicht met de meeste woonhistorie/familiebanden op locatie voorrang ten opzichte van de ander. Als er neven/nichten zijn met dezelfde woonhistorie dan heeft de neef/nicht met de meeste familiebanden voorrang ten opzichte van de ander. Als er dan nog sprake is van gelijkheid dan bepaalt de gemeente op welke wijze en aan wie de standplaats wordt toegewezen. Wie de meeste rechten heeft wordt bepaald door de gemeente.
3.9 Wachtlijst
Als er geen kandidaten zijn uit bovenstaande genoemde familierelaties wordt er in goed overleg bepaald aan wie de vrijkomende standplaats/woonwagenwoning vervolgens zal worden toegewezen. We bekijken wie volgens de wachtlijst/inschrijving Thuis in Limburg in aanmerking komt. We houden hierbij rekening met de dan zijnde familieverhoudingen en hanteren hierin een hardheidsclausule.