Naar hoofdinhoud
3.1. Het huishouden dat het vermoeden heeft tot de doelgroep Alleenverdiener te behoren, kan een vormvrije aanvraag om een vaste tegemoetkoming indienen bij het college. 3.2. Het college beoordeelt of de aanvrager een alleenverdiener is, zoals bedoeld in artikel 1. 3.3. Het college beoordeelt of de meestverdienende partner in het huishouden op de datum van aanvraag inwoner van de gemeente is en het huishouden voor het betreffende jaar nog geen vaste tegemoetkoming heeft ontvangen. 3.4. Bij de vaststelling van het inkomen om te bepalen of het huishouden tot de doelgroep van alleenverdieners behoort, telt alleen het inkomen van beide fiscale - en toeslagpartners mee. 3.5. Als sprake is van een vast maandinkomen, toetst het college het inkomen over de laatst volledig verstreken kalendermaand voorafgaand aan de datum van aanvraag. Dit maandinkomen wordt omgerekend naar een verwacht jaarinkomen. 3.6. Als er sprake is van een variabel maandinkomen, toetst het college het inkomen van de meest recente drie achtereenvolgende maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag. Het college rekent deze maandinkomens om naar een verwacht jaarinkomen. 3.7. Als de definitieve aanslag inkomstenbelasting of definitieve beschikking voor toeslagen over het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd al bekend is, dan gebruikt het college het belastbaar jaarinkomen waar deze aanslag of beschikking op is gebaseerd. 3.8. Bij de vaststelling van het vermogen hanteert het college de vermogensgrens van de zorgtoeslag zoals die geldt voor het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd. Het peilmoment van het vermogen is 1 januari 00:00 van het kalenderjaar waarover de vaste tegemoetkoming wordt aangevraagd. 3.9. De vaste tegemoetkoming over de kalenderjaren 2025, 2026 en 2027 wordt uiterlijk 31 december 2028 aangevraagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel