Naar hoofdinhoud
Als de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin een vergoeding voor immateriële schade of materiële schade ontvangen, wordt eerst bezien of de schadevergoeding moet worden vrijgelaten op grond van de artikelen 31 lid 2 onder l van de wet in samenhang met artikel 7 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Laatstgenoemd artikel bevat een lijst uitkeringen en vergoedingen, waaronder schadevergoedingen, die moeten worden vrijgelaten voor het bepalen van het recht op algemene bijstand. Als de schadevergoeding niet is te vinden in die lijst, moet worden beoordeeld of vrijlating van de schadevergoeding in het individuele geval en uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Lid 1 Als er sprake is van ontvangst van een door de bijstandsgerechtigde of leden van diens gezin ontvangen schadevergoeding voor materiële schade, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om degeleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de toekomst nog gemaakt moeten worden, zoals bijvoorbeeld fysiotherapie. Indien hier sprake van is kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt. Lid 2 Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand voor een bepaalde periode, of zelfs helemaal, weg valt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom binnen de bijstand beschouwd als inkomen binnen de bijstand. Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom beoordeeld moeten worden op welk periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De bijstandsgerechtigde zal moeten aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld door middel van salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist. Lid 3 Als er een schadevergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, gaat het meestal om een zeer ernstige situatie. In een dergelijke situatie heeft de bijstandsgerechtigde het recht om gecompenseerd te worden voor de geleden schade, zonder dat dit direct van invloed is op het recht op bijstand. Schadevergoedingen voor immateriële schade worden daarom niet volledig als vermogen aangemerkt. Aan de andere kant kan deze vrijlating niet onbegrensd zijn. Een bedrag ter hoogte van € 3.000,- wordt gezien als verantwoord. Wanneer de immateriële schadevergoeding hoger is dan € 3.000,-, wordt dat dat het bedrag van€ 3.000,- overschrijdt voor 30% in aanmerking genomen als vermogen bedoeld in artikel 34 lid 1 onder b van de wet. Lid 5 tot en met 8 Voor wat betreft de statistisch te verwachten levensduur wordt uitgegaan van de cijfers van CBS-statline. Het percentage van 15% is geïnspireerd door een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep1Zie ECLI:NL:CRVB:2023:909 (CRvB). In de uitspraak was sprake van een vrijlating van € 125,- per maand: ten tijde van het letsel circa 10% van de bijstandsnorm. Dit werd door de CRvB als een te beperkte hoogte beschouwd om als vermogen in aanmerking te nemen. Stimulansz adviseert gemeenten uit te gaan van een iets hoger percentage, namelijk15%. Voorbeeld Hierbij een rekenvoorbeeld van een bijstandsgerechtigde met schade die blijvend van aard is. Jan is op 1 januari 2020 betrokken bij een ernstig verkeersongeval. Jan raakt ernstig gewond en zal zijn hele leven te kampen hebben met ernstige beperkingen. Jan wordt op 1 oktober 2025 door de schadeverzekeraar gecompenseerd met een vergoeding voor immateriële schade van € 150.000,-. Jan is op 1 januari 2020 40 jaar oud geworden. Volgens CBS-statline bedraagt zijn verwachte levensduur 86 jaar. Jan ontvangt Een bijstandsuitkering vanaf 1 februari 2020. De bijstandsnorm bedroeg op 1 februari 2020 € 1400,- per maand. De berekening is nu als volgt: 150.000 : 46 = € 3260,86 per jaar; dat is € 271,73 per maand; dat is hoger dan 15% van € 1400,- = € 210,-; het verschil is € 61,73; dus moet een bedrag € 34.074,96 (12 x 46 x € 61,73) als vermogen in aanmerking worden genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel