Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 10.

De hoogte en duur van de maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen

Lid 1 Bij gedragingen van de eerste categorie, onderdeel a, kan er sprake zijn van vroegtijdig constateren van inlichtingenfraude waardoor is voorkomen dat er ten onrechte inkomensvoorziening wordt verstrekt. Bijvoorbeeld constatering gedurende de aanvraagprocedure voor de eerste uitbetaling. Ook bij gedragingen van de tweede categorie dient de maatregel te worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de jongere de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit kan betekenen dat -zeker vanuit het oogpunt van hoogwaardig handhaven- in bepaalde situaties een hogere maatregel kan worden opgelegd. Toepassing geven aan artikel 2, tweede lid kan echter ook inhouden dat -met name bij een zware standaard maatregel- deze bijvoorbeeld over een langere periode wordt gespreid. Maatwerk is dus mogelijk. Lid 2 Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een beslissing aan de jongere kenbaar is gemaakt. Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de eerste verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom van belang dit goed weer te geven in de beslissing en die vervolgens adequaat te registreren. Lid 3 Indien na de constatering van de schending van de inlichtingenplicht de uitkering wordt beëindigd, biedt deze bepaling de mogelijkheid om de maatregel alsnog te effectueren wanneer binnen één jaar na beëindiging van de inkomensvoorziening een nieuw recht op inkomensvoorziening ontstaat. Er is gekozen voor deze termijn omdat de verwachting is dat dan het effect van de maatregel, namelijk het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jongere, groot is. Voor het bepalen van de ingangsdatum van de termijn, dient de datum van feitelijke beëindiging van de inkomensvoorziening te worden genomen. Deze hoeft niet samen te vallen met de formele beëindiging. Die kan immers vanwege fraude met terugwerkende kracht zijn bepaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel