Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 9.

Gedragingen

Onderdeel van Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen

De artikelen 9 en 10 moeten ook in onderling verband worden gezien. Het betreft de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen met betrekking tot het recht op een werkleeraanbod en/of het recht op een inkomensvoorziening alsmede de medewerkingsverplichting van de jongere. De jongere is ook verplicht om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot zijn recht op een werkleeraanbod wanneer van hem vooralsnog niet kan worden gevergd dat hij uitvoering geeft aan een werkleeraanbod. Die inlichtingplicht geldt ook indien de jongere wel een werkleeraanbod heeft ontvangen maar nog niet onmiddellijk uitvoering aan dat aanbod kan worden gegeven. De inlichtingenverplichting is vastgelegd in artikel 44 van de wet. In artikel 44 lid 1 van de wet is bepaald dat de jongere op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op een werkleeraanbod of het recht inkomensvoorziening. Om ongestructureerde meldingen te voorkomen, wordt -afhankelijk van de situatie van de jongere- in de uitvoering gewerkt met een status- en wijzigingsformulier. Voor het begrip ‘onverwijld’ geld dat bij wijzigingen die van belang zijn voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening direct gebruik maakt van het formulier dat op hem van toepassing is. Lid 1 De eerste categorie, onderdeel a en b, heeft betrekking op het te laat voldoen aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Veel voorkomende gedragingen ten aanzien van de inlichtingenplicht zijn onder meer het niet verschijnen op een ingelast rechtmatigheidsonderzoek of het niet inleveren van status en wijzigingsformulier. Voorbeelden van het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting zijn het niet tonen van het identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en niet meewerken aan een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens. Indien de jongere niet in de daartoe gestelde termijn de informatie verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het recht op inkomensvoorziening op grond van artikel 40 van de wet opgeschort en wordt de jongere verzocht het verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (hersteltermijn). Indien de informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt of verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien de jongere het verzuim niet herstelt, wordt het recht op inkomensvoorziening beëindigd met ingang van de eerste dag waarover dat recht is opgeschort. Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een verplichting in het kader van het recht op een werkleeraanbod, wordt deze specifieke gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar op grond van artikel 7, tweede categorie onder a. De gedraging kan overigens wel nog steeds als een schending van de medewerkingsplicht ex artikel 44, tweede lid van de wet worden gezien, waardoor -althans ten aanzien van jongeren aan wie al een inkomensvoorziening is toegekend- ná de maatregelwaardige gedraging, de hierboven geschetste weg van artikel 40 van de wet kan worden gevolgd. In gevallen waarin de jongere helemaal niet voldoet aan de hier bedoelde medewerkingsplicht, volgt toepassing van artikel 17, vijfde lid van de wet en moet er geen werkleeraanbod worden gedaan, of wordt dit ingetrokken. Daarnaast omvat de eerste categorie, onderdeel a, het schenden van de inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot een teveel of ten onrechte verstrekt bedrag aan uitkering, de zogenaamde nulfraude. Voorbeelden van zogenaamde nulfraude zijn het niet opgeven van een vermogens-bestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van vrijwilligerswerk. Rekeninghoudend met de gedraging van de eerste categorie (te late verstrekking van gegevens) dient hier ook een maatregel te worden opgelegd. Immers het niet sanctioneren van nulfraude zou anders positiever beoordeeld worden dan het alsnog na herhaald verzoek verstrekken van gegevens. Lid 2 De tweede categorie betreft het schenden van de inlichtingenplicht welke wel heeft geleid tot een ten onrechte verstrekt bedrag. Er kan in deze situaties sprake zijn van fraude als betrokkene de bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen van het recht op inkomensvoorziening of tot beëindiging van de inkomensvoorziening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel