De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan (in artikel 8) een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte.
In de indeling in categorieën is uitdrukking gegeven aan het belang dat in de WIJ wordt gehecht aan (duurzame) arbeidsinschakeling.
De WIJ wordt gekenmerkt door een zogenoemde paradigmawisseling. In plaats van “uitkering mits” zoals nu bij de WWB nog het geval is, wordt hier gesproken van “geen uitkering, tenzij”. Jongeren moeten dus of werken of leren (of beiden combineren). Om dit uitgangspunt vorm te geven kent de
WIJ aan jongeren een werkleerrecht toe dat geconcretiseerd wordt in een werkleeraanbod met (duurzame) arbeidsparticipatie als doel. Alle inspanningen van de jongere en natuurlijk ook van de gemeente zelf dienen hierop gericht te zijn.
Bij arbeidsparticipatie gaan ook in het kader van de WIJ de gedachten allereerst uit naar het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een daarop gerichte voorziening die door de gemeente wordt aangeboden. Iedere jongere is dan ook verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden.
Er worden geen beperkende voorwaarden gesteld aan de aard en de omvang van het werk en de aansluiting op opleiding en ervaring. Alle arbeid die maatschappelijk aanvaard is moet worden geaccepteerd. De primaire plicht tot arbeidsinschakeling komt tot uitdrukking in artikel 45 van de wet en dan met name in onderdeel b.
Intrekking of sanctionering
Wat verder van belang is hier te belichten is dat de WIJ de keuze laat tussen sanctioneren enerzijds en het intrekken van het werkleeraanbod en daarmee tevens het beëindigen van de inkomensvoorziening anderzijds. In het kader van de invoering van de WIJ is als uitgangspunt gekozen dat zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaand WWB beleid. Dit geldt ook voor het maatregelenbeleid. Het betekent dat bij maatregelwaardig gedrag van jongeren toch zoveel mogelijk een maatregel wordt opgelegd.
Bij minder ernstige gedragingen wordt het werkleeraanbod niet ingetrokken, (zie gedragingen van de eerste en tweede categorie, genoemd in artikel 7, eerste en tweede lid). Het opleggen van een maatregel zal hier dus de regel moeten zijn. Dat geldt ook bij recidive. Is sprake van herhaalde recidive, waardoor blijkt dat het opleggen van een maatregel geen effect ressorteert, dan dient alsnog tot intrekking te worden besloten.
In gevallen waarin geen inkomensvoorziening wordt verstrekt maar waarin wel een werkleeraanbod van toepassing is, kan een maatregel niet worden geëffectueerd. Hier moet eerst worden gewerkt met een waarschuwing. Bij herhaald foutief gedrag moet dan tot intrekking worden overgegaan.
Bij ernstige gedragingen (gedragingen van de derde categorie, genoemd in artikel 7, derde lid) moet in eerste instantie ook een maatregel worden opgelegd. Een uitzondering vormt hier ook weer de situatie dat een maatregel niet kan worden geëffectueerd omdat de jongere geen inkomens-voorziening heeft. In dat geval moet het aanbod worden ingetrokken.
Het aanbod dient eveneens te worden ingetrokken bij recidive. Het gaat immers opnieuw om een ernstige gedraging. Echter ook hier kan gemotiveerd worden afgeweken en kan een verdubbeling van de maatregel plaatsvinden. Vandaar dat ook voor gedragingen van de derde categorie de
recidivebepaling blijft bestaan.
Dus samengevat
Bij gedragingen van de eerste en tweede categorie, genoemd in artikel 7, eerste en tweede lid, volgt dat in de regel een maatregel wordt opgelegd, ook bij een eerste recidive. Er kan gemotiveerd worden afgeweken bijvoorbeeld indien een maatregel niet kan worden geëffectueerd, bij herhaald foutief gedrag of bij schendingen van meerdere verplichtingen tegelijkertijd;
bij gedragingen van de derde categorie, genoemd in artikel 7, derde lid, volgt eveneens een maatregel, namelijk van 100%. Er kan gemotiveerd worden afgeweken bijvoorbeeld indien een maatregel niet kan worden geëffectueerd.
Bij recidive dient tot intrekking te worden overgegaan. Ook hier kan echter gemotiveerd worden afgeweken en worden gekozen voor het toepassen van een zware maatregel voor langere duur.
Lid 1
Eerste categorie sub a
Het meewerken aan de arbeidsinschakeling en het traject er naar toe neemt binnen de WIJ een belangrijke plaats in. Werkt een jongere in het geheel niet mee dan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, vijfde lid WIJ géén werkleeraanbod gedaan. Ook bestaat er dan géén recht op een inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid onderdeel c WIJ). Is sprake van een minder ernstige schending van de meewerkverplichting, in die zin dat onvoldoende medewerking wordt verleend, dan kan wel een werkleeraanbod worden gedaan, maar dan is een maatregel op zijn plaats.
Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar weigert hij het aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het werkleeraanbod alsnog worden ingetrokken (artikel 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering is er dan ook geen recht op een inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel a WIJ).
Eerste categorie sub b
Bij de gedraging bedoeld in onderdeel b is er ook sprake van voorzetting van de werkzaamheden of activiteiten.
Lid 2
Tweede categorie
Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de jongere niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf of het LWI/Werkplein verschijnt. Het LWI/Werkplein vormt wat dit laatste betreft een bijzondere plek. Binnen deze setting gelden bepaalde huisregels die ertoe moeten bijdragen dat het diagnostisch onderzoek zo goed mogelijk kan verlopen. Overtreding van die regels zou kunnen worden opgevat als een gedraging van de tweede categorie. Het zonder meer toepassen van de daarbij behorende maatregel (één maand 40%) kan, afhankelijk van de overtreding en de omstandigheden een te zware sanctie zijn. Het is dan toch mogelijk om een maatregel te baseren op artikel 7, tweede lid, maar vervolgens de hoogte te matigen met toepassing van artikel 2, tweede lid van de verordening.
Ook het niet meewerken aan een noodzakelijk geacht medisch onderzoek of een door een arts noodzakelijk geachte behandeling van medische aard is aan te merken als een maatregelwaardige gedraging. Dit zal met name zo zijn indien het niet meewerken van invloed is op het leerwerktraject of het verwerven van loonvormende arbeid.
In andere gevallen worden meestal meerdere verplichtingen tegelijkertijd geschonden. Er kan dan op grond daarvan een zwaardere maatregel worden opgelegd. Ook kan afhankelijk van de situatie in een individueel tot intrekking of uitsluiting van het werkleeraanbod worden overgegaan.
Wanneer de gedraging in onderdeel b bij herhaling plaatsvindt, kan op basis van “recidive” de duur van de maatregel worden verdubbeld. Is daarna weer sprake van herhaald foutief gedrag dan dient tot intrekking van het werkleeraanbod te worden besloten.
Lid 3
Derde Categorie
In onderdeel a en b hebben de gedragingen tot gevolg dat een aangeboden voorziening definitief geen doorgang kan vinden of vroegtijdig moet worden beëindigd. De gedragingen worden daarmee gekwalificeerd als ernstig. Het stopzetten van de voorziening heeft immers tot gevolg dat inschakeling in de arbeid weer voor langere tijd niet mogelijk is. Gelet op de uitgangspunten van de WIJ ligt een zwaardere sanctionering in deze dan ook voor de hand.
Zoals hiervoor in de inleidende toelichting bij artikel 7 al is aangegeven, is het ook bij ernstige gedragingen regel dat een maatregel wordt opgelegd. Daarbij is ook vermeld dat van deze regel kan worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer een maatregel niet kan worden geëffectueerd. Dan is intrekking van het werkleeraanbod geboden. Is sprake van recidive dan volgt intrekking van het werkleeraanbod.
Onder onderdeel c. gaat het om ernstige gedragingen als “het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid”,“gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren” en “het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen”. Voor wat betreft het begrip “algemeen geaccepteerde arbeid” wordt erop gewezen dat het hierbij om allerlei soorten arbeid kan gaan. Gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur.
Essentieel voor onderdeel c is dat de jongere door het stellen van onredelijke eisen in verband met te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid afziet van een concrete kans om, geheel of gedeeltelijk, in zijn levensonderhoud te voorzien. Tot “het stellen van onredelijke eisen” kan ook worden gerekend het kortweg weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid en het blijk geven van negatieve gedragingen bij sollicitaties. Daarnaast valt ook het onvoldoende solliciteren hieronder. De jongere moet zich immers zo opstellen dat hij algemeen geaccepteerde arbeid kan en wil aanvaarden. In het plan en in het aanbod zal tot uitdrukking worden gebracht dat de jongere een minimaal aantal sollicitaties moet verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken moet tonen. Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
Hoofdstuk 2.
Artikel 7.
Gedragingen artikel 45 WIJ
Onderdeel van Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen