Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 8.

De hoogte en duur van de maatregel

Onderdeel van Afstemmingsverordening WIJ gemeente Roerdalen

Lid 1 Conform de Afstemmingsverordening WWB is hier aan de categorieën een bepaald wegings-percentage gekoppeld, al naar gelang de zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de uiteindelijke vaststelling van de maatregel, waarbij te allen tijde de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden moeten worden meegewogen. Vooral bij toepassing van een zware maatregel (zoals een 100% maatregel) speelt artikel 2, tweede lid een belangrijke rol. Er moet dan met name goed gekeken worden naar de individuele omstandigheden. Ook in de beoordeling van overtredingen van de huisregels van het LWI Roermond vormt het in artikel 2, tweede lid geschetste toetsingskader een belangrijk element. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 7, tweede lid van de verordening. Lid 2 Indien er binnen één jaar na een vorige verwijtbare gedraging sprake is van herhaald verwijtbaar gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Er moet hier echter op worden gewezen dat bij recidive in de regel tot intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee ook van de inkomensvoorziening) moet worden overgegaan. In het individuele geval kan hier gemotiveerd van worden afgeweken en kan een zware maatregel voor langere duur worden opgelegd. Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest een maatregel toe te passen, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een beslissing aan de jongere kenbaar is gemaakt. Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de eerste verwijtbare gedraging zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom van belang dit goed weer te geven in het maatregelbesluit en dat vervolgens adequaat te registreren. Lid 3 Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om ook bij een eerste of tweede gedraging de maatregel voor een langere periode op te leggen als de situatie daartoe aanleiding geeft. Ook hier geldt het beginsel dat in een concreet geval maatwerk mogelijk moet zijn. Hieraan moet met name gedacht worden indien de kansen van de jongere op uitstroom ernstig worden bemoeilijkt door het afbreken van een traject. In dergelijke gevallen moet het mogelijk zijn om, rekening houdend met de betrekkelijk ernstige gevolgen van de gedraging, reeds bij een eerste of tweede gedraging deze voor langere duur op te leggen. Net als bij het tweede lid moet hier worden opgemerkt dat in voorkomende gevallen redenen zijn om geen maatregel op te leggen maar over te gaan tot intrekking van het werkleeraanbod.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel