Van een objectieve belemmering is sprake wanneer ouders ondanks aantoonbare en redelijke inspanningen om hun eigen kracht te benutten, niet in staat zijn de noodzakelijke hulp aan hun kinderen te bieden of te organiseren.
Bij de beoordeling of sprake is van objectieve belemmeringen weegt het CJG in ieder geval de factoren a tot en met f van artikel 3.1.9a, vijfde lid, van de verordening. Dit betreft altijd een weging van de gehele situatie, waarbij de onderlinge samenhang van factoren als bedoeld in artikel 3.1.9a, van de verordening, doorslaggevend kan zijn.
Hierbij geldt ten aanzien van:
Artikel 3.1.9a, vijfde lid, sub a: Of sprake is van een lichamelijke of psychische beperkingen van de ouder die aantoonbaar invloed heeft op het bieden van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige wordt beoordeeld door een deskundige ter zake. Zie hiervoor ook het kader in paragraaf 3.6 van deze beleidsregels.
Artikel 3.1.9a, vijfde lid, sub b: Kennis en vaardigheden die naar het oordeel van het CJG binnen een redelijke termijn kunnen worden aangeleerd, vallen onder het probleemoplossend vermogen van ouders. Het ontbreken van deze kennis en vaardigheden vormt dan geen objectieve belemmering van de eigen mogelijkheden van de ouder. Een termijn van circa drie maanden wordt in beginsel als redelijk beschouwd.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4.2.
Objectieve belemmeringen
Onderdeel van COLLEGEBESLUIT TOT VASTSTELLING VAN BELEIDSREGELS JEUGDHULP VEENENDAAL