Indien het onderzoek uitwijst dat een individuele voorziening noodzakelijk is, wordt op basis van de criteria neergelegd in artikel 3.1.9, vierde tot en met zesde lid, van de verordening, in samenhang met 3.1.5, vierde lid, van de verordening bepaald welke voorziening passend is.
Ten aanzien van de criteria uit de artikel 3.1.5 en 3.1.9, van de verordening, geldt:
1. Tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders;
Een individuele voorziening dient gericht te zijn op het versterken van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders, zodat zij zelf in staat zijn om te gaan met de hulpvraag of deze op te lossen. Hiertoe behoort ook de versterking of mobilisering van het eigen netwerk. In dit kader toetst het CJG in hoeverre de voorziening bijdraagt aan herstel of versterking van de eigen kracht en het netwerk. Bij een herindicatie wordt dit opnieuw beoordeeld.
2. Goedkoopst adequaat;
Adequaatheid betreft een ja/nee-vraag. Indien een voorziening passend en doeltreffend, is er sprake van adequaatheid.
Indien in een specifiek geval er meerdere voorzieningen zijn die adequaat zijn, wordt gekozen voor de voorziening die in zijn totaliteit, dus inclusief een eventuele bijkomende vervoersindicatie, de goedkoopste voorziening is.
3. Doeltreffend;
Een voorziening is doeltreffend indien deze wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag. Het gaat daarbij om het bereiken van de doelen uit de Jeugdwet (gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau). Hierbij geldt; goed is goed genoeg. Doeltreffendheid houdt daarmee in het leveren van een wezenlijke bijdrage die de jeugdige in staat stelt in voldoende mate te participeren, zich te ontwikkelen en veilig en gezond op te groeien.
4. Geen bewezen niet-effectieve interventies;
Dit betreft een categorische uitsluiting. De gemeente vergoedt geen bewezen niet-effectieve interventies, conform artikel 3.1.9 en het overzicht van bewezen niet-effectieve interventies van het Nederlands Jeugdinstituut.
5. Rekening houdend met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of diens ouders.
In het onderzoek wordt uitgevraagd wat de wensen en voorkeuren van de jeugdige of diens ouders zijn. Dit wordt, conform artikel 2.3, vierde lid, van de Jeugdwet, in redelijkheid afgewogen in de keuze voor een bepaalde voorziening.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.5
Stap 5: Is een voorziening op grond van de Jeugdwet nodig?
Onderdeel van COLLEGEBESLUIT TOT VASTSTELLING VAN BELEIDSREGELS JEUGDHULP VEENENDAAL