1. Uitgangspunten
In het kader van de eigen kracht van ouders (artikel 3.1.9a, van de verordening) wordt van ouders verwacht dat zij het vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder zelf organiseren. Daarbij geldt dat vervoer van en naar een jeugdhulplocatie binnen een straal van zes kilometer in beginsel als behorend tot de eigen kracht wordt beschouwd. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen waar de ouders een objectieve belemmering ervaren die niet is weg te nemen op grond van het eigen probleemoplossend vermogen, kan de jeugdige in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening binnen een straal van zes kilometer.
Voor vervoer van en naar een jeugdhulplocatie buiten een straal van zes kilometer geldt het uitgangspunt dat van ouders wordt verwacht dat zij het vervoer meenemen in de afweging bij de keuze voor een jeugdhulpaanbieder. Indien zelf vervoeren lastig is, ligt het in de rede dat – voor zover beschikbaar – wordt gekozen voor een aanbieder die zo dicht mogelijk bij de woning van de jeugdige is gevestigd.
Van ouders wordt onder meer verwacht dat zij de jeugdige ondersteunen op het gebied van:
Het aanleren van vaardigheden aan de jeugdige om (op termijn) zelfstandig te reizen (bijvoorbeeld fietsen, reizen met het openbaar vervoer of begeleidingstrajecten);
Het halen en brengen van de jeugdige door ouders op momenten waarop zij daartoe in staat en beschikbaar zijn;
Begeleiding van de jeugdige bij het vervoer, indien zelfstandig reizen nog niet mogelijk is.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4.4.
Eigen kracht in relatie tot vervoer
Onderdeel van COLLEGEBESLUIT TOT VASTSTELLING VAN BELEIDSREGELS JEUGDHULP VEENENDAAL