1. De leidinggevende beoordeelt de medewerker minimaal een maal per twee jaar of als de direct leidinggevende dit nodig oordeelt.
2. De leidinggevende beoordeelt de medewerker, in aanvulling op het eerste lid;
a. als de medewerker hierom verzoekt en de leidinggevende hiermee instemt;
b. bij de plaatsing van de medewerker van de aanloop in de functieschaal;
c. bij het toekennen van een of meer extra periodieke verhoging(en);
d. bij het niet toekennen van een periodieke verhoging;
e. bij de toekenning van een tijdelijke persoonlijke toelage;
f. bij de toekenning van een vaste persoonlijke toelage;
g. bij de beslissing omtrent een vaste aanstelling.
3. De beoordeling wordt door de eerste en tweede beoordelaar, namens burgemeester en wethouders ondertekend. De medewerker tekent de beoordeling eveneens.