Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 16.

Weigeringsgronden persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beuningen 2026

1.. Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek (artikel 12 lid 3) duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende bezwaren bestaan tegen de verstrekking; wanneer de beoogde persoonsgebonden budget-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, tenzij het college daar schriftelijke toestemming voor heeft gegeven. er sprake is van opvang. Bij opvang kan er geen sprake zijn van een stabiele situatie, waardoor het persoonsgebonden budget niet wenselijk is. 2.. Het college weigert een persoonsgebonden budget als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.3.6 lid 5 van de wet van toepassing is. 3.. Indien de met het eenmalig persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening na het verstrijken van de economische levensduur nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Een persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten kan dan wel worden verstrekt. Onder instandhoudingskosten wordt verstaan: de noodzakelijke kosten om de voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel