Uit Indicatieprotocol Begeleiding, Gemeenten: Best, Oirschot, Veldhoven (BOV), Bergeijk, Bladel, Eersel, Reusel-De Mierden (Kempen), Geldrop-Mierlo, Nuenen, Son en Breugel, Waalre (DommelvalleiPlus versie 1.0, 6 januari 2022
Het protocol is van toepassing op inwoners die zich op grond van de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) melden voor de maatwerkvoorziening Begeleiding en dit als voorziening in natura wensen te ontvangen. Het dient tevens als basis voor het indiceren van Begeleiding op basis van een persoonsgebonden budget (pgb).
Dit protocol is een richtinggevend en dynamisch document om de regisseurs te ondersteunen bij het stellen van een indicatie voor de maatwerkvoorziening Begeleiding.
Het doel van de maatwerkvoorziening Begeleiding is bevordering, behoud of compensatie van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zodat opname in een instelling of verwaarlozing of achteruitgang wordt voorkomen. Begeleiding kan ook worden ingezet ter ontlasting van mantelzorgers. De maatwerkvoorziening Begeleiding bestaat uit de volgende producten: individuele begeleiding, dagbesteding (evt. met aparte indicatie voor noodzakelijk vervoer) en groepsbegeleiding.
De producten voor de maatwerkvoorziening Begeleiding bestaan uit:
- - Individuele begeleiding;
- - Dagbesteding;
- - Groepsbegeleiding; en
- - Vervoer bij dagbesteding
Doel van begeleiding
Individuele begeleiding
Het doel van individuele begeleiding is bevordering, behoud of compensatie van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie zodat opname in een instelling of verwaarlozing of achteruitgang wordt voorkomen. De begeleiding kan ook worden ingezet ter ontlasting van mantelzorgers.
Ondersteuning die al door de partner, het sociaal netwerk, via algemene of collectieve voorzieningen of eventueel via de toegang/sociaal team/Wmo-team geboden wordt, wordt niet meegenomen in de indicatie voor begeleiding.
Begeleiding is bedoeld voor mensen met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische problematiek, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van sociale redzaamheid, bewegen/verplaatsen, psychisch functioneren, geheugen en oriëntatie en/of probleemgedrag.
Het accent ligt op het eigen maken van vaardigheden of nieuw gedrag door langdurig oefenen en trainen zodat deze vaardigheden of nieuw gedrag eigen gemaakt worden bij de inwoner. Voorbeelden:
- - Begeleiding bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), eigen huishouden voeren, eigen administratie bijhouden;
- - Structureren van de dag;
- - Inzicht geven in eigen situatie en/of problematiek;
- - Activeren;
- - Aanleren en inslijten nieuwe vaardigheden;
- - Vergroten van het netwerk;
- - Voorkomen van vereenzaming;
- - Spiegelen;
- - Levensloopbegeleiding.
Bij individuele begeleiding gaat het om ondersteuning of begeleiding van inwoners bij activiteiten. Het betreft op één persoon gerichte activiteiten. Individuele begeleiding kan worden ingezet als voorliggende behandeling (nog) niet aan de orde is of te zwaar is. Individuele begeleiding kan ook naast lopende behandeltrajecten worden ingezet of om geleerde vaardigheden van het behandeltraject toe te passen in het dagelijks leven.
Het is mogelijk om delen van de individuele begeleiding op afstand (telefonisch, screen to screen) uit te voeren, mits dit aansluit bij de behoefte van de inwoner en dit bijdraagt aan het behalen van de gestelde doelen.
Dagbesteding
Dagbesteding is een vorm van begeleiding die wordt ingezet als maatwerkvoorziening in groepsverband. Er is behoefte aan een zinvolle dagbesteding. Deze kan ontstaan vanuit een beperkte dagstructuur, maar ook vanuit overbelasting van de mantelzorgers/het sociaal netwerk. De focus is gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke deelname/participatie. Er wordt voorzien in een zinvolle dagbesteding die niet is gericht op uitstroom naar (betaald of vrijwilligers-) werk. Dagbesteding biedt structuur en passende activiteiten voor de dag. Het bieden van enige persoonlijke ondersteuning en/of begeleiding bij verzorgingstaken (bijv. ondersteuning bij de toiletgang) behoort tot deze ondersteuning. Passende dagbesteding wordt zo dicht mogelijk bij de inwoner georganiseerd. Bij dagbesteding wordt gewerkt met dagdelen van drie uur waarbij de inwoner daadwerkelijk op locatie aanwezig is. Er wordt gestreefd naar passende dagbesteding op maximaal 10 km reisafstand vanaf het woonadres van de inwoner.
Groepsbegeleiding
Bij het inzetten van groepsbegeleiding (G1) dient er gewerkt te worden aan dezelfde doelen zoals vastgesteld bij de indicatie voor individuele begeleiding van de betreffende inwoner. Het is mogelijk dat een inwoner zowel groepsbegeleiding krijgt als individuele begeleiding. De aanbieder overlegt samen met de inwoner of groepsbegeleiding effectief is. Groepsbegeleiding valt binnen de totaal geïndiceerde tijd voor begeleiding (individueel en groep) van een inwoner. Het is ook mogelijk om alleen groepsbegeleiding te indiceren.
Ondersteuningsvraag- zelfredzaamheid
De zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) 1 Leefgebieden - Zelfredzaamheidsmatrix (versie 2017 – inclusief supplement Ouderschap) is het instrument dat door de regisseur wordt gebruikt om te bepalen in welke mate de inwoner in staat is om zelfredzaam te functioneren of te participeren op de volgende leefdomeinen: financiën, werk & opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, basale ADL (algemeen dagelijkse levensverrichtingen), instrumentele ADL, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Per leefdomein wordt de zelfredzaamheid verwoord in de rapportage. Daarnaast wordt een score van 1-5 gegeven om de zelfredzaamheid van de inwoner in beeld te brengen (score 1 = acute problematiek, score 5 = volledig zelfredzaam).
Bij toepassing van de ZRM wordt het leefdomein ‘werk & opleiding’ wel meegenomen, maar bij het bepalen van de omvang van de indicatie wordt dit leefdomein in principe buiten beschouwing gelaten omdat werk & opleiding niet tot de reikwijdte van de Wmo behoort. Indien in een uitzonderlijke situatie op grond van individuele omstandigheden op dit leefdomein vanuit de Wmo toch individueel maatwerk nodig is, dan kan dit meegenomen worden in de omvang van de indicatie.
Bij toepassing van de ZRM zijn ‘basale ADL’ en ‘instrumentele ADL’ in de tabel met samengevoegd.
Het supplement ouderschap is enkel toegevoegd als hulpmiddel bij het indiceren van een Wmo-maatwerkvoorziening voor jeugdigen waarbij specifieke hulpvragen kunnen spelen in relatie tot het ouderschap.
Productbepaling Individuele begeleiding
Wanneer bepaald is dat inzet van individuele begeleiding noodzakelijk is volgt de volgende stap: het bepalen van het product. Er zijn 3 producten individuele begeleiding waarbij de mate van deskundigheid, specialisatie en complexiteit toeneemt van product Begeleiding 1 (coachen en stimuleren), Begeleiding 2 (meehelpen met de handen op de rug) tot Begeleiding 3 (regisseren en samen doen).
In de vorige stap is de zelfredzaamheid per leefdomein woordelijk beschreven en is bij ieder leefdomein een score gegeven van 1 t/m 5. Op basis van de doelen die zijn gesteld bij de leefdomeinen waarop iemand verminderd of niet zelfredzaam is, wordt bepaald of de aard van de begeleiding (overwegend) gericht is op coachen en stimuleren (B1), meehelpen met de handen op de rug (B2) of regisseren en samen doen (B3).
Uitgangspunt is dat alleen die domeinen worden meegewogen waarvoor geen ondersteuning ingezet kan worden vanuit het sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen of behandeling.
Voorbeeld: Peter heeft al langere tijd moeite met het beheren van zijn administratie en financiën en komt ondanks hulp vanuit zijn netwerk telkens weer in de problemen. Daarnaast is zijn verslavingsproblematiek weer op de voorgrond aanwezig, dreigt hij zijn baan te verliezen en is zijn woning aan het vervuilen. Peter heeft na overleg met de Wmo-consulent laten weten dat hij zich aan wil melden voor vrijwillig budgetbeheer zodat hij daar geen stress meer over hoeft te hebben. Hoewel Peter beperkt zelfredzaam is op het domein ‘financiën’ wordt dit leefdomein niet meegenomen om de inzet van de begeleiding te bepalen omdat er op dat vlak geen doelen liggen binnen de ondersteuning. Dit wordt immers opgepakt door inzet van een andere voorziening.
Een ander voorbeeld is een situatie waarbij er bijvoorbeeld een FACT-team is betrokken bij een inwoner met een complex psychisch beeld. Hier kan uiteindelijk toch B1 worden ingezet omdat het FACT-team zich richt op de psychische problematiek en de doelen voor de individuele begeleiding om een minder specialistische inzet vragen die meer gericht is op coachen en stimuleren.
B1: ondersteunen bij regie en structuur bij de inwoner (= coachen en stimuleren)
Wanneer de inwoner een lichte beperking ervaart op het gebied van zelfredzaamheid, zelfregie of participatie. Het gaat om sturing, coachen en stimuleren om de inwoner op termijn weer zo zelfredzaam mogelijk te maken of toe te leiden naar voorliggende voorzieningen. De inwoner krijgt deze sturing onvoldoende vanuit zijn/haar netwerk. Deze vorm van begeleiding is planbaar en de inwoner is in staat om zijn hulpvraag uit te stellen.
B2: aanleren en behouden van vaardigheden bij inwoner (= meehelpen met handen op de rug)
Wanneer een inwoner een matige beperking ervaart op het gebied van zelfredzaamheid, zelfregie of participatie. Er is weinig of onvoldoende compensatie vanuit het netwerk. Het gaat om het aanleren en behouden van vaardigheden (meehelpen met de handen op de rug) om toe te werken naar een stabiele situatie waarbij de inwoner op termijn weer zo zelfstandig mogelijk kan functioneren. Begeleiding is nodig op meerdere leefgebieden. De begeleider biedt sturing op de levensgebieden waar mogelijk, maar kan de regie op enkele levensgebieden ook overnemen. Deze vorm van begeleiding is grotendeels planbaar maar er zijn situaties denkbaar waarbij de inwoner aanvullend op de planbare begeleidingsmomenten ondersteuning nodig heeft (binnen kantoortijden) omdat de inwoner zijn hulpvraag niet kan uitstellen.
B3: stabiliseren van ontregelde situatie bij inwoner (= regisseren en samen doen)
Wanneer een inwoner een ernstige beperking ervaart op het gebied van zelfredzaamheid, zelfregie of participatie. Er is sprake van:
- - gedragsproblematiek, en/of
- - zorgmijdend gedrag, en/of
- - verwaarlozing, en/of
- - cognitieve problematiek, en/of
- - meervoudige coördinatie en afstemming met zowel formeel als informele ondersteunende partijen (complexiteit zorgvraag is groot, opgestelde plan werkt onvoldoende en/of samenwerking stagneert), en/of
- - zorgen om/voor de veiligheid van de inwoner (en zijn/haar omgeving en/of begeleider)
Inwoner heeft een complexe hulpvraag op meerdere levensdomeinen en ontvangt hierbij geen of weinig ondersteuning vanuit het netwerk. De begeleiding is gericht op het verkrijgen en behouden van een stabiele situatie. De vraag naar begeleiding is bij B3 vaak niet uit te stellen.
- - Kenmerkend zijn de schommelingen in de complexe problematiek van de inwoner en/of gebeurtenissen in zijn of haar leven waarbij ondersteuning noodzakelijk is. Op leefdomeinen waar dit nodig is wordt de regie overgenomen. Het doel van het product B3 is om zaken vlot te trekken/ stabiel te krijgen. De duur van de inzet van een indicatie kan daarom variabel zijn. Het doel is om een situatie zo snel mogelijk stabiel te krijgen, maar als dat niet lukt blijft inzet B3 mogelijk wat langer noodzakelijk. Bij B3 is over het algemeen sprake van kortere indicaties, waarbij snel een evaluatie/heronderzoek plaatsvindt en doelen en/of de indicatie waar nodig bij te stellen. Als er een stabiele situatie is (en alles weer loopt) kan er (waar mogelijk) gaandeweg toegewerkt worden naar aansturing van de inwoner. Afschalen in uren of naar B2/B1 wordt dan overwogen.
Grens tussen B2 en B3
B3 kan worden afgegeven indien inwoner een complexe hulpvraag heeft, stabiele en instabiele periodes zich vaak afwisselen en inwoner moeite heeft om zijn hulpvragen te stellen. Deze cliënten zijn gebaat met begeleiding die de regie neemt en de situatie overneemt. Het gaat er bij B3 vooral om dat de begeleider iemands ernstige beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid/participatie compenseert en tegelijkertijd werkt aan het verbeteren van de zelfredzaamheid/participatie.
Indien inwoner leert/zich verbetert, is het overnemen van de regie niet meer nodig en kan worden toegewerkt naar aansturing van de inwoner. Bij het bereiken van een stabiele situatie zal moeten worden onderzocht of inzet kan worden afgeschaald. Dit kan in afbouw van het aantal uren of afschalen naar begeleiding die meehelpt met handen op de rug (B2) of coacht/stimuleert (B1).
B3 kan tijdelijk (bijvoorbeeld voor de duur van 6 mnd) nodig zijn in bepaalde crisissituaties, maar kan ook van toepassing zijn op een bredere doelgroep zoals hier eerder beschreven (zie: productbeschrijving B3). Het uitgangspunt is bij ieder product: om af te schalen waar mogelijk en zo snel als mogelijk. Of om op te schalen naar Beschermd wonen of de Wlz als blijkt dat B3 toch niet adequaat is.
Productbepaling Dagbesteding
Wanneer bepaald is dat dagbesteding als ondersteuningsvorm passend is, moet er een keuze gemaakt worden uit twee producten (D1 of D2). Beide producten zijn gericht op het bieden van een dagstructuur en/of het ontlasten van mantelzorgers met als uiteindelijk doel het bevorderen/behouden/compenseren van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Ook op het gebied van dagbesteding wordt er eerst ‘getrechterd’ om te bekijken of reguliere activiteiten vanuit het voorliggende veld adequaat en passend zouden kunnen zijn.
In de basis wordt uit gegaan van inzet van Dagbesteding 1. Bij Dagbesteding 2 is er sprake van meer specialistische begeleiding, een intensievere ondersteuningsbehoefte en meer individuele aandacht voor de inwoner. Daarbij hoort een doelgroep waarbij sprake is van complexe gedragsproblematiek of sociaal gedrag die meer aandacht en specialistische ondersteuning vraagt.
Ook voor het bepalen van de inzet van de specifieke vorm van dagbesteding is het uitgangspunt dat het om maatwerk gaat. Waarbij in de praktijk vaak zal blijken dat een specifieke locatie met name ondersteuning zal bieden die ofwel passend is bij Dagbesteding 1 (bijvoorbeeld dagbesteding voor mensen met geheugenproblematiek of voor mensen met een verstandelijke beperking) ofwel passend is bij Dagbesteding 2 (dagbesteding voor mensen met complexe psychische problematiek of mensen met niet-aangeboren hersenletsel). De basis is dat gekozen wordt voor de goedkoopst compenserende, adequate voorziening waarbij de aard van de benodigde ondersteuning leidend is voor de uiteindelijke keuze tussen D1 of D2.
Streven is om een passende dagbestedingslocatie te vinden binnen een straal van 10 km vanaf het woonadres van de inwoner. Als er binnen deze straal geen passende locatie beschikbaar is, dan moet er gezocht worden naar een locatie die passende dagbesteding biedt buiten deze straal. Ook dan geldt als criterium voor de uiteindelijke keuze: de dichtstbijzijnde passende locatie ten opzichte van het woonadres van de inwoner.
Het gebruiken van maaltijden maakt geen onderdeel van de indicatie voor dagbesteding uit. Het aanbieden van een maaltijd is dan ook geen verplichting voor aanbieders; het is meer een service van de aanbieder richting de inwoner indien de maaltijd (maken/nuttigen) ingezet wordt in de vorm van een activiteit tijdens de dagbesteding.
Als cliënten een hele dag dagbesteding hebben, en een maaltijd bereiden en/of nuttigen is geen onderdeel van het activiteitenprogramma, dan heeft de inwoner de keuze: zelf eten meebrengen of gebruik maken van een maaltijd die de aanbieder aanbiedt. De aanbieder kan dit aanbieden en mag de inwoner hiervoor een vergoeding vragen.
Product Groepsbegeleiding
Groepsbegeleiding is een vorm van ondersteuning waarbij in groepsverband wordt gewerkt aan de doelen die zijn vastgesteld voor individuele begeleiding. Deze vorm kan passend zijn wanneer meerdere inwoners er bij gebaat zijn om in een groep te werken aan hun doelen. De groepsbegeleiding wordt dan ingezet binnen de uren die aanvankelijk zijn geïndiceerd voor de individuele begeleiding. Omdat er een ander tarief geldt voor de groepsbegeleiding dient de indicatie te worden aangepast. Groepsbegeleiding is dus geen aanvulling op de individuele begeleiding maar komt deels in de plaats hiervan.
Voorbeeld: Maartje heeft een indicatie gekregen voor 100 uur individuele begeleiding gedurende 1 jaar om te werken aan diverse doelen. Die doelen liggen onder andere in het zelfstandig leren plannen, structureren en overzicht behouden. Haar begeleider geeft aan dat er een bestaande groep is van 3 andere cliënten die aan diezelfde doelen werken. Wellicht kan zij deelnemen aan deze groep. De indicatie van Maartje wordt daarom aangepast naar 60 uur individuele begeleiding en 40 uur groepsbegeleiding.
Normtijden Individuele begeleiding
Onderstaande tabel2 Geïnspireerd op de handleiding van regio Midden Holland, bestaande uit de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas, m.b.t. begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf. Zie https://www.nsdmh.nl/ is een denkrichting waarop de omvang van de indicatie voor individuele begeleiding bepaald kan worden en waarbij wordt uitgegaan van benodigde vaste inzet per week. Het is geen normerend kader en per situatie zal afgewogen moeten worden wat passend is. De normtijden passend maken, betekent in de praktijk per leefdomein van de ZRM op maat indiceren per 5 minuten. De benodigde tijd voor de netto hulpvraag is afhankelijk van de situatie van de inwoner en de mogelijkheden van de voorliggende voorzieningen en aanwezigheid van mantelzorg.
In principe telt het leefdomein ‘werk & opleiding’ niet mee in de omvang van de indicatie, omdat dit niet tot de reikwijdte van de Wmo behoort. Als begeleiding voor dit leefdomein bij individuele cliënten toch moet worden ingezet, dan kan uitgegaan worden van de normtijden volgens onderstaande tabel.
| Te bespreken levensgebieden (afgeleid van de ZRM) | Benodigde competenties | Inzet voorliggende voorziening (als voorbeeld, denk aan) | Inzet B1 gemiddeld per week | Inzet B2 gemiddeld per week | Inzet B3 gemiddeld per week |
| Gericht op volwassenen | |||||
| Financiën | Kunnen beheren van en omgaan met geld; Een gezonde financiële situatie kunnen hebben; Overzicht kunnen houden op administratie en financiën; Het kunnen nemen van beslissingen; Contact op kunnen nemen met instanties; | Sociaal team, curator, bewindvoerder, mentor, maatje | 15 min | 30 min | Prioriteit schulden / inkomen regelen 60 min |
| Werk & opleiding | Het hebben van werk of opleiding/school volgen hoger dan startkwalificatie. | 15 min | 30 min | 30 min | |
| Tijdsbesteding | Alle tijd is plezierig / nuttig besteed; Er is sprake van een gezond dag- en nacht ritme. | 15 min | 30 min | 30 min | |
| Huisvesting | Kunnen regelen en hebben van een woning; Kunnen regelen van een gevoel van veiligheid in en om de woning; Kunnen onderhouden van de woning; Het kunnen regelen van aanpassingen of hulpmiddelen; Goede buur kunnen zijn. | Maatschappelijk werk Sociaal team | 5-15 min | 5-15 min Evt. tijdelijk; zoeken naar woning en/of voorkomen van uithuiszetting | Uithuiszetting voorkomen 30-60 min |
| Huiselijke relaties | Het kunnen onderkennen van gevoelens; Het bespreekbaar kunnen maken van gevoelens en ideeën; Veiligheid kunnen bieden. | 5-15 min | 30 min | Veiligheid waarborgen 30-60 min | |
| Geestelijke gezondheid | Het zich bewust zijn van de geestelijke gezondheid; Het kunnen omgaan met emoties en verlieservaringen; Het kunnen regelen van medische zaken; Het kunnen uitvoeren van een behandeling / intrainen van de vaardigheden; Het kunnen vragen om hulp. | Behandeling Maatschappelijk werk | 5-15 min | 30-60 min Toeleiden naar behandeling kan doel zijn | 30-60 min Toeleiden naar behandeling kan doel zijn |
| Lichamelijke gezondheid | Het inzicht hebben in de lichamelijke gezondheid; Het kunnen regelen van medische zaken; Het op tijd kunnen innemen van medicatie; Het kunnen uitvoeren van een behandeling; Het kunnen alarmeren. | Behandeling, persoonlijke verzorging, verpleging | 15 min | 30 min | 30 min |
| Middelengebruik | Het kunnen onderkennen van de verslaving; Het kunnen weerstaan van verslavende middelen; Het kunnen uitvoeren van een behandeling. | behandeling | 15 min | 30 min Toeleiden naar behandeling | 30 min Toeleiden naar behandeling |
| Activiteiten dagelijks leven (ADL) | Het kunnen zorgen voor persoonlijke hygiëne & verzorging; Dag/nachtstructuur kunnen aanbrengen; Kunnen verzorgen van maaltijden en zorgen en gezonde eet- en drinkgewoontes; Kunnen schoonhouden van de woning; Het kunnen zorgen voor schone en goede kleding. | Persoonlijke verzorging Maaltijdvoorziening Hulp in het huishouden GGD (vervuild huis) | 15-30 min | 60-90 min | 60-90 min |
| Sociaal netwerk | Het kunnen creëren van een (gezond) sociaal netwerk; Het kunnen onderhouden en in stand houden van het sociaal netwerk (w.o. initiatief nemen). | Netwerkcoach Sociaal team vrijwilligers | 15 min | 30 min | 30 min |
| Maatschappelijke participatie | Het kunnen deelnemen aan regulier werk of vrijwilligerswerk; Het kunnen benoemen van wensen t.a.v. maatschappelijke participatie; Het kunnen deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten. | Welzijn/ vrijwilligers | 5-15 min | 15-30 min | 15-30 min |
| Justitie | Het kunnen uitvoeren van een reclasseringsprogramma; Het kunnen houden aan (wettelijke) regels en verplichtingen. | Indien van toepassing 15 min | Indien van toepassing 15-30 min | Indien van toepassing 15-30 min | |
Flexibiliteit
Als de inwoner naast bovenstaande vaste uren per week behoefte heeft aan flexibel inzetbare ondersteuning omdat zijn/haar hulpvraag soms toe- of afneemt, kan op basis van de volgende tabel flexibiliteit worden geboden. Het aantal uren dat flexibel wordt ingezet is maatwerk op basis van de persoonlijke situatie van de inwoner. De tabel is onderverdeeld in 4 categorieën: Waakvlam, geen, beperkt of veel flexibiliteit. Anders dan bij individuele begeleiding wordt bij dagbesteding in principe geen flexibiliteit in de levering toegestaan. Onder tabel zijn de verschillende categorieën toegelicht met een voorbeeld.
| Waakvlam nodig | Geen flexibiliteit nodig | Beperkte flexibiliteit nodig | Veel flexibiliteit nodig | |
| Omschrijving hulpvraag | Er is bij terugval of zeer incidenteel ondersteuning nodig om zelfredzaamheid te behouden. | Hulpvraag die goed te plannen is, geen schommelingen in ondersteuningsbehoefte. | Hulpvraag die overwegend goed planbaar is, maar regelmatig wat extra aandacht nodig heeft om beperkte schommelingen in de ondersteuningsbehoefte op te vangen. | Complexe hulpvraag die zich kenmerkt door flinke schommelingen in de ondersteuningsbehoefte en (deels) onplanbare vraag. Vaak in combinatie met B3 waarbij de begeleiding vaak (deels) niet uit te stellen is. |
| Behoefte flexibiliteit | Uitsluitend flexibele inzet, | Geen flexibele inzet | Beperkte flexibiliteit | Veel flexibiliteit |
| Wat zet je in | Een laag aantal flexibele uren, géén vaste uren. | Enkel vaste uren. | Vaste uren en een aantal flexibele uren op basis van behoefte/situatie inwoner. (bijv. de mogelijkheid om 2 van de 4 weken een half uurtje extra flexibel in te zetten) | Vaste uren, flexibele uren op basis van behoefte/situatie inwoner en calamiteiten-uren om de grote escalatiemomenten op te vangen. |
| Voorbeeld omvang indicatie (altijd hele uren binnen de totale geldigheidsduur van de toewijzing) | Voorbeeld op basis van 1 uur per maand: Indicatie van 12 uur (12 maanden x 1 uur) voor de totale indicatieperiode van 1 jaar. | Voorbeeld op basis van 45 minuten per week: Indicatie van 39 uur (52 weken x 0,75 uur) voor de totale indicatieperiode van 1 jaar. | Voorbeeld op basis van 2 uur per week vast en een half uur per twee weken flexibel: Indicatie van 117 uur voor de totale indicatieperiode van 1 jaar voor de totale indicatieperiode van 2 jaar. | Voorbeeld op basis van 2 uur per week vast, een half uur per 2 weken flexibel en 30 uur voor max 5 escalatiemomenten: Indicatie van 147 uur (52 weken x 2 uur + 26 weken x een half uur + 30 uur) voor de totale indicatieduur van 1 jaar. |
| Levering | Aanbieder levert op basis van de behoefte van de cliënt wanneer het nodig is naar eigen inzicht de uren over de totale indicatieperiode. | Aanbieder levert een vast aantal uren per week. | Aanbieder levert een vast aantal uren per week en heeft de overige uren als flexibele ruimte om de inzet per week op- en af te schalen waar nodig. | Aanbieder levert een vast aantal uren per week. Kan opschalen door inzet van flexibele uren en escalaties opvangen door gebruik calamiteiten-uren. |
| Waakvlam-begeleiding | ||||
| Cliënt die weer zelfredzaam is geworden en nog enkel een vorm van ‘waakvlam-begeleiding’ nodig heeft bij een tijdelijke terugval of incidentele hulpvragen. | ||||
| Indicatie en toewijzing: Indicatie bestaat uit flexibele uren binnen geldigheidsduur van de indicatie. Voorbeeld: Indicatie is gemiddeld 1 uur per maand voor de duur van 1 jaar. De toewijzing is dan 12 uur (12 maanden x 1 uur = 12 uur), indicatie voor het totaal binnen geldigheidsduur toewijzing van 1 jaar. | ||||
| Geen flexibiliteit | ||||
| Cliënt die enkel op een vast moment per week begeleiding nodig heeft, waarbij geen flexibiliteit nodig is. | ||||
| Indicatie en toewijzing: Indicatie bestaat alleen uit de noodzakelijke vaste inzet per week. Voorbeeld: Indicatie is 45 minuten per week voor de duur van 1 jaar. De toewijzing is dan 39 uur (52 weken x 0,75 uur = 39 uur per jaar), indicatie voor het totaal binnen geldigheidsduur toewijzing van 1 jaar. | ||||
| Beperkte flexibiliteit | ||||
| Cliënt met een indicatie begeleiding, waarbij beperkte flexibiliteit nodig is. | ||||
| Indicatie en toewijzing: Indicatie bestaat uit inzet van vaste uren en deels flexibele uren. Voorbeeld: Indicatie is 2 uur per week voor de duur van een jaar. Daarnaast is een half uur per twee weken flexibel nodig voor bijvoorbeeld een extra contactmoment per telefoon of huisbezoek. De toewijzing is dan 117 uur (52 weken x 2 uur + 26 weken x 0,5 uur), indicatie voor het totaal binnen geldigheidsduur toewijzing van 1 jaar. | ||||
| Veel flexibiliteit | ||||
| Cliënt met een complexe situatie, waarbij wisselende begeleidingsbehoefte is en hoge mate van flexibiliteit in de begeleidingsinzet. | ||||
| Indicatie en toewijzing: Indicatie bestaat uit de noodzakelijke vaste inzet per week en inzet van flexibele uren en calamiteiten-uren. Voorbeeld: Indicatie is 2 uur per week voor de duur van een jaar. Er wordt een half uur per 2 weken flexibel ingezet. Daarnaast is de verwachting dat er vijf escalatiemomenten per jaar zijn, waar 30 uur voor nodig is. De toewijzing is dan 147 uur (52 weken x 2 uur + 26 weken x 0,5 uur + 30 uur), indicatie voor het totaal binnen geldigheidsduur toewijzing van 1 jaar. | ||||
Inzet Dagbesteding
Het indiceren van dagbesteding vindt plaats in de vorm van een aantal dagdelen voor het totaal binnen de geldigheidsduur van de indicatie.
- - Wat is de huidige woonsituatie van de inwoner, alleenstaand of met anderen in huis?
- - Hoe is de (medische) situatie lichamelijk / geestelijk van de inwoner?
- - Wat kan/doet de inwoner nu? Hoe zag het dagelijks leven er eerder uit?
- - Waar ligt de behoefte van de inwoner en/of zijn mantelzorger?
- - Wat kan vanuit het sociaal netwerk en/of voorliggende (algemene) voorzieningen worden ingezet en is dat passend?
- - Is er behoefte om onder de mensen te zijn? Als hiervoor geen passende dagactiviteiten in het sociaal netwerk of voorliggende (algemene) voorzieningen gevonden kunnen worden, dan kan dagbesteding geïndiceerd worden.
- - Is er noodzaak om minder dan 2 dagdelen per week naar dagbesteding te gaan? Bespreek of de inwoner van dagactiviteiten uit de voorliggende (algemene) voorzieningen gebruik kan maken.
- - Wat is de meerwaarde van de inzet dagbesteding? Welk resultaat brengt dit (of wat verwacht men er van) en met welk doel wordt dit ingezet?
- - Wordt met de dagbesteding ook andere zaken meegenomen zoals het gezond kunnen eten?
- - Is er sprake van een stoornis in het dag/nacht ritme? Bespreek of er structuur middels dagbesteding moet komen (als er geen alternatieven zijn). Indiceer bijvoorbeeld 4 of 5 dagdelen die in de ochtend worden geleverd.
- - Is het voor ontlasting mantelzorgers ter voorkoming van overbelasting? Bespreek dan wat de behoefte is van de mantelzorger en bespreek of Wlz voorliggend is.
- - Is het voor ontlasting van de mantelzorger? In geval van ernstige overbelasting (vaststellen of er daadwerkelijk sprake is van overbelasting), indiceer dan 7 dagdelen. Adviseer om een Wlz-indicatie aan te vragen.
Hoewel dagbesteding onder andere wordt ingezet om ervoor te zorgen dat iemand zo lang mogelijk zelfstandig kan blijven wonen, is de inzet van dagbesteding niet onuitputtelijk.
Het uitgangspunt hiervan is dat dagbesteding niet vaker dan een halve week noodzakelijk is. Bij een hogere indicatie is het thuis wonen in alle redelijkheid niet meer mogelijk. Indien een inwoner meer dan 7 dagdelen naar dagbesteding moet, dan is Wlz (meestal) voorliggend en is het advies om een aanvraag voor Wlz in gang te zetten. Wanneer er geen Wlz-indicatie wordt afgegeven, dan moet opnieuw goed bekeken worden of het daadwerkelijk nodig is dat de inwoner meer dan 7 dagdelen naar dagbesteding gaat.
Inzet Groepsbegeleiding
Bij het inzetten van groepsbegeleiding dient er gewerkt te worden aan dezelfde doelen zoals vastgesteld bij de indicatie voor individuele begeleiding van de betreffende cliënt. Het is mogelijk dat een cliënt zowel groepsbegeleiding krijgt als individuele begeleiding. De aanbieder overlegt samen met de cliënt of groepsbegeleiding effectief is.
Groepsbegeleiding valt binnen de totaal geïndiceerde tijd (in uren) voor begeleiding (individueel en groep) van een cliënt
Inzet Vervoer
De zelfredzaamheid van de cliënt m.b.t. eventueel noodzakelijk vervoer naar dagbesteding wordt getoetst door cliënt te vragen of het mogelijk is om (deels) zelf naar de locatie te gaan op één van de volgende manieren:
- - Te voet
- - Met de fiets
- - Met de scootmobiel
- - Met de auto
- - Met een voorliggende vervoersvoorziening en niet-zijnde het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer
- - Met regulier openbaar vervoer (mits passend qua dienstregeling op de start- en eindtijden van de groepsbegeleiding en/of dagbesteding)
- - Zich te laten vervoeren door iemand uit het eigen sociaal netwerk (mits niet te belastend voor de primaire mantelzorger, indien deze mantelzorger de cliënt zou kunnen brengen en halen)
De kosten voor eigen vervoer komen voor rekening van de cliënt.
Indien (weer) gebruik kunnen maken van eigen vervoer een doelstelling van de indicatie voor dagbesteding is, dan wordt de vervoersindicatie voor een reële korte periode afgegeven waarin wordt verwacht dat deze doelstelling kan worden bereikt.
Het vervoer naar/van Groepsbegeleiding wordt verder buiten beschouwing gelaten, omdat daar als uitgangspunt geldt dat de cliënt zelf voor vervoer zorgt (en betaalt). In geval van groepsbegeleiding kan dus geen individueel (rolstoel)vervoer geïndiceerd worden. Indien de cliënt een indicatie voor Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) bezit, dan is het echter wel toegestaan om CVV te gebruiken van en naar groepsbegeleiding. CVV is toegankelijk voor cliënten die rolstoelafhankelijk zijn.
Indien de cliënt voor een dagbestedingslocatie kiest die buiten de straal van 10 km ten opzichte van zijn woonadvies ligt, terwijl er een passende locatie binnen 10 km is en cliënt heeft zelf geen vervoer, dan zijn de meerkosten van de extra kilometers in principe voor rekening van de cliënt. De cliënt kan hier afspraken over maken met zijn aanbieder. De straal van 10 km wordt overigens getoetst op basis van de kortste route volgens de routeplanner van de ANWB.