Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.9

Inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, eerste maand huur en administratiekosten

Onderdeel van Beleidsregels Werk & Inkomen Waalre (2026)

1.. In beginsel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor inrichtingskosten (inclusief stoffering en opknapkosten), duurzame gebruiksgoederen, verhuiskosten, de eerste maand huur en administratiekosten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden zijn: Noodzakelijke verhuizingen als gevolg van een onvoorzienbare medische of sociale noodzaak waarbij niet kon worden gereserveerd voor deze kosten. Detentie is geen noodzakelijke verhuizing; Een eerste huisvestiging na het verlaten van een asielzoekerscentrum (AZC). 2.. Bijzondere bijstand op grond van lid 1 wordt verstrekt: Om niet voor verhuiskosten. Hieronder vallen de kosten van het vervoer van de inboedel (huur, verzekering en benzinekosten bestelwagen; geen vergoeding manuren) voor maximaal één verhuisdag; Om niet voor de aansluitkosten van de nutsvoorziening; Om niet voor de kosten van dubbele huur en administratiekosten die verschuldigd zijn voor de nieuwe woning; Om niet voor opknapkosten. Hieronder vallen de eenmalige materiaalkosten (zoals verf en behang) tot een maximum van € 250,00. In de vorm van een geldlening voor stoffering (vloer- en raambekleding) tot een maximum van € 500,00. In de vorm van een geldlening voor overige inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen, tenzij er dringende redenen zijn om de bijstand om niet te verstrekken. 3.. Voor de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand voor vervoerskosten wordt aansluiting gezocht bij de goedkoopste optie om de inboedel te vervoeren. 4.. Voor de hoogte van de dubbele huur geldt als uitgangspunt dat bijstand wordt verstrekt voor de laagste huur inclusief servicekosten. Dit kan de huur van de oude of de nieuwe woning zijn. 5.. Als grondslagbedragen voor inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen worden de actuele bedragen die zijn opgenomen in tabel 2.1A en 2.1B (kolom 0) van de NIBUD Prijzengids gehanteerd. Tabel 2.1A wordt gehanteerd bij een alleenstaande (ouder) en Tabel 2.1B wordt gehanteerd bij gehuwden. Op deze grondslagbedragen wordt een percentage toegepast in specifieke situaties. Deze situaties en bijbehorende percentages zijn als volgt: Indien sprake is van zelfstandige bewoning in een huis of een appartement met meerdere kamers wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op 40% van het inventarispakket 2.1A of 2.1B; Indien sprake is van een bewoning van een 1-kamerwoning (woonunit/studio) wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op 20% van het inventarispakket 2.1A en 2.1B; Indien sprake is van kamerbewoning wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op 13% van het inventarispakket 2.1A; Indien sprake is van één of meer minderjarige inwonende kinderen dan wordt, bovenop het in onderdeel a t/m c genoemde bedrag, een bedrag per minderjarig kind verstrekt. De hoogte van de bijzondere bijstand per kind bedraagt 30% van het verschil tussen kolom 1 en kolom 2 van inventarispakket 2.1A. Ingeval een meerderjarig kind bij de ouders inwoont, wordt aan dit kind een bijzondere bijstand verstrekt ter hoogte van 30% van het verschil tussen kolom 1 en kolom 2 van inventarispakket 2.1A. In het geval een woning volledig gestoffeerd wordt gehuurd, dan worden de bedragen van pakketprijzen onder sub a t/m e verlaagd met 20%.

Rechtspraak bij dit artikel