Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord. Deze opsomming creëert geen recht op (bijzondere) bijstand, maar bepaalt uitsluitend wanneer giften niet als middel in aanmerking worden genomen:

  • - Giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;
  • - Giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;
  • - Giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;
  • - Giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet;
  • - Giften die worden verstrekt met een specifiek en aantoonbaar doel, gericht op maatschappelijke participatie, scholing of arbeidsinschakeling, voor zover deze niet leiden tot structurele verbetering van de financiële positie.