**1..** Een Bibob-toets vindt in ieder geval plaats bij de volgende vastgoedtransacties:
de verkoop van een gemeentelijke onroerende zaak ten behoeve van een vastgoedproject waarvan de gemeente initiatiefnemer is. De Bibob-toets zal in deze gevallen in beginsel geen betrekking hebben op de wijze van financiering (van de onderneming en de aankoop) en op de vermogensverschaffers. Mocht de (beperkte) Bibob-toets echter aanleiding daartoe geven, dan zal de toets uitgebreid worden naar de wijze van financiering en vermogensverschaffers.
de hierna onder i t/m iv genoemde vastgoedtransacties indien sprake is van ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van een van de partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of informatie verkregen van het OM of van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob en/of informatie verkregen van het LBB zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob, die aanleiding vormt om te vermoeden dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet Bibob:
de verkoop van andere gemeentelijke onroerende zaken dan bedoeld onder a, waarbij de overeenkomst een geldelijke waarde van € 100.000,- of meer heeft,
het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht, waarbij de overeenkomst een geldelijke waarde van € 100.000,- of meer heeft;
het verlenen van toestemming voor vervreemding van erfpacht of opstal of voor het vervreemden van een recht op eigendom, of voor het vestigen, vervreemden of wijzigen van een zakelijk recht, ten aanzien van een registergoed dat de gemeente heeft vervreemd onder de voorwaarde dat de verkrijger en zijn rechtsopvolgers verplicht zijn voor handelingen als hiervoor vermeld toestemming te vragen aan de gemeente;
de gemeentelijke deelname aan een vennootschap, met inbegrip van de vergroting, vermindering of beëindiging daarvan, die het recht op eigendom of een zakelijk recht met betrekking tot een onroerende zaak heeft of een onroerende zaak huurt of verhuurt.
**2..** De gemeente gaat geen vastgoedtransactie aan wanneer uit eigen onderzoek, dan wel het advies van het LBB, blijkt dat er een ernstig gevaar aanwezig is dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, dan wel dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd. Evenmin gaat de gemeente een vastgoedtransactie aan indien uit eigen onderzoek of uit het advies van het LBB blijkt dat er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van een vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd.
**3..** De gemeente kan besluiten om geen vastgoedtransactie aan te gaan wanneer uit eigen onderzoek, dan wel het advies van het LBB, blijkt dat er een mindere mate van gevaar aanwezig is dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, dan wel dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd.
**4..** Indien pas na het aangaan van een vastgoedtransactie als bedoeld in het eerste lid, ongeacht de geldelijke waarde daarvan, een vermoeden mocht ontstaan dat sprake is van een bepaalde mate van gevaar als bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet Bibob, dan kan alsnog een Bibob-toetsing plaatsvinden. Dit vermoeden wordt gebaseerd op:
eigen ambtelijk informatie en/of;
informatie afkomstig van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC en/of;
informatie verkregen vanuit het OM of een ander bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob en/of;
informatie verkregen van het LBB zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.
**5..** In alle overeenkomsten met betrekking tot een vastgoedtransactie als bedoeld in het eerste lid wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot opschorting, ontbinding, of beëindiging van de overeenkomst indien er sprake is van een ernstig gevaar, als bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a en b, van de Wet Bibob, dan wel van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd (artikel 9, derde lid, onder c, Wet Bibob). De integriteitsclausule houdt tevens in dat de overeenkomst kan worden opgeschort, ontbonden of beëindigd, indien wederpartij heeft nagelaten vragen te beantwoorden of gegevens te verstrekken die zijn gesteld/opgevraagd op grond van artikel 7a en artikel 12 van de Wet Bibob. In uitzonderlijke gevallen kan, indien daartoe een gegronde reden bestaat, ervoor gekozen worden om geen integriteitsclausule op te nemen.
Hoofdstuk
Artikel 3:1
Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties
Onderdeel van Beleidsregels Wet Bibob gemeente Landgraaf 2026