Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde
regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)
Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de
seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel
5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf
de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande
artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de
eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste
leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en
wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde
in artikel 5:1 en 5:3.