Het college weigert dan wel beëindigt een individuele voorziening, in ieder geval, als:
a. de gemeente gelet op het woonplaatsbeginsel niet (meer) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp;
b. de jeugdige of zijn ouder(s) in staat zijn zelf de problemen op te lossen, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk (eigen kracht), waaronder mede wordt verstaan het kunnen oplossen van de problemen middels gebruikelijke hulp;
c. gebruik kan worden gemaakt van een andere voorliggende voorziening;
d. gebruik kan worden gemaakt van een overige voorziening;
e. de individuele voorziening is afgerond en het beoogde resultaat is bereikt;
f. naar het oordeel van het college anderszins niet langer noodzakelijk is of geen betrekking (meer) heeft op de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.
Artikel 14.
Weigerings- en beëindigingsgronden
Onderdeel van Verordening jeugdhulp gemeente Noardeast-Fryslân 2026