Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2

Artikel 2.2.2

Noodzakelijkheid

Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Barneveld

In dit Damoclesbeleid wordt op grond van het hiervoor genoemde beoordelingskader aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding beoordeeld of een sluiting van een woning of lokaal noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en/of het herstel van de openbare orde, of dat volstaan moet worden met een minder ingrijpende bevoegdheid. De Afdeling benadrukt in de overzichtsuitspraak van 2025 dat toepassing van artikel 13b van de Opiumwet een herstelsanctie is die strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding21ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, r.o. 9 en 10.1.. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval22ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, r.o. 10.1.. Voor de beoordeling van de ernst en omvang van de overtreding is van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Met een sluiting wordt de bekendheid van het pand als drugspand weggenomen en wordt de “loop” naar het pand eruit gehaald. Daarmee wordt beoogd om het pand aan het drugscircuit te onttrekken. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie of de gemeente over mogelijke handel vanuit het pand. Het kan ook blijken uit verklaringen/overlastmeldingen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks, wapens en/of een (grammen)weegschaal. NB. Opmerking verdient hierbij dat ingeval van voorbereidingshandelingen niet of minder snel sprake zal zijn van de hiervoor genoemde “kenmerken”, zoals “loop”. Immers, locaties waarin voorbereidingshandelingen plaatsvinden zijn of worden naar hun aard geen handelspunten. Het zijn in de regel productiepunten. Bij voorbereidingshandelingen moet dan ook in het kader van de ernst (en omvang) aannemelijk worden gemaakt dat de locatie een schakel vormt in de productie of distributie van drugs23Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3.. Als er geen of weinig aanwijzingen zijn dat in of vanuit het pand drugs werden verhandeld, dan moet de burgemeester – als hij zich op het standpunt stelt dat van dergelijke handel wél sprake was – nader onderbouwen waarom dat het geval was. Slaagt de burgemeester hierin niet of onvoldoende, dan is er doorgaans een mindere mate van of geen overlast in de omgeving van het pand en wordt de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. In dit soort gevallen vindt de Afdeling dat een sluiting van meer dan zes maanden in beginsel onevenredig is. Als niet alleen aanwijzingen dat drugs in of vanuit het pand werden verhandeld afwezig zijn, maar ook andere omstandigheden ontbreken die volgens de overzichtsuitspraak van 2019 bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn, bijvoorbeeld: de omstandigheid dat het gaat om harddrugs; een recidivesituatie; en/of de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk, kan dit er toe leiden dat er geen noodzaak bestaat om het pand te sluiten. Wel kan er dan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, aanleiding zijn om een minder verstrekkende maatregel op te leggen, bijvoorbeeld een last onder dwangsom of een waarschuwing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel