Bij aanstelling of indienstneming wordt in beginsel aan de ambtenaar het salaris toegekend, dat in de aan hem - met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:1:1:6 - toegekende salarisschaal is vermeld als minimumsalaris.
Van het bepaalde in het vorige lid kan worden afgeweken door het toekennen van een hoger salaris, indien daartoe naar het oordeel van het bestuursorgaan aanleiding bestaat.