Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3:1:1:8

Periodieke verhoging van salaris

Onderdeel van CAR/UWO

Bij voldoende bekwaamheid, geschiktheid en ijver wordt het salaris van de ambtenaar binnen de salarisschaal periodiek verhoogd tot het naasthogere bedrag. De verhoging van het salaris van de ambtenaar volgens de salarisschaal, waarin hij is ingedeeld, geschiedt telkens nadat hij een jaar in de betreffende salarisschaal heeft doorgebracht, tot het maximum daarvan is bereikt. De verhogingen van het salaris, als bedoeld in de leden 1 en 2, gaan in op de eerste januari. Voor de verhoging van het salaris van de ambtenaar, die in de loop van een kalenderjaar wordt aangesteld of bevorderd, wordt de tijd, die verlopen is van de dag van zijn aanstelling of bevordering tot de eerste januari daaraan volgend, voor een jaar gerekend. Aan de ambtenaar, ingedeeld in een salarisschaal in bijlage II, waaraan diensttijduitlopen zijn verbonden, wordt de eerste diensttijduitloop toegekend nadat hij 3 jaren het maximum van die salarisschaal heeft genoten. Indien deze datum valt na de eerste januari, wordt de diensttijduitloop toegekend met ingang van de eerste januari van dat jaar. De tweede diensttijduitloop wordt toegekend twee jaren na de eerste en de derde diensttijduitloop twee jaren na de tweede. De tijd gedurende welke de ambtenaar ingevolge wettelijke verplichting, als bedoeld in hoofdstuk 3 wordt geacht in zijn betrekking met verlof te zijn, wordt voor de toekenning van de periodieke verhoging als diensttijd in aanmerking genomen.

Rechtspraak bij dit artikel