Aan ambtenaren als bedoeld in artikel 1:1, kan, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, zulks ter beoordeling van de direct-leidinggevende, met toepassing van artikel 6:4:1 buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging worden verleend voor:
het leiden of volgen van een cursus, gericht op vrijwilligers die zich met jeugd- en jongerenwerk bezighouden;
het leiden van een jeugdkamp of kindervakantie-activiteit als hoofdleider (leidercoördinator);
het assisteren van de hoofdleider van een jeugdkamp/kindervakantieactiviteit op basis van één vrijwillig medewerkende op elke 15 deelnemers, alsmede op basis van één vrijwillig medewerkende op elke 3 deelnemers wanneer het een kamp/vakantie-activiteit betreft voor lichamelijk of geestelijk gehandicapte jeugd.
Voor de onder lid c. bedoelde gevallen kan alleen buitengewoon verlof worden verleend indien de aanwezigheid voor het welslagen van een jeugdkamp/kindervakantie-activiteit dringend gewenst is en geen andere persoon beschikbaar is.