Als de vervoersbehoefte niet of niet voldoende wordt opgelost met collectief vervoer, kan (in aanvulling op) het collectief vervoer een (individuele) vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt onderzocht waaraan de voorziening moet voldoen, zoals welk type voorziening en welke aanvullende functionele eisen noodzakelijk zijn om het resultaat te bereiken. Hierbij geldt het principe van goedkoopst adequaat. Denk hierbij onder meer aan scootmobielen, driewielfietsen en elektrische rolstoelen. Soms is een rijvaardigheidsbeoordeling nodig om de geschiktheid van een hulpmiddel te onderzoeken.
Een individuele vervoersvoorziening wordt in de regel in bruikleen verstrekt via een leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. De leverancier levert de voorziening aan de inwoner, is verantwoordelijk voor het afsluiten van een verzekering en draagt zorg voor onderhoud en reparatie van de voorziening. De gebruiker van de voorziening sluit met de leverancier een bruikleenovereenkomst af.
De inwoner kan ook zelf met een persoonsgebonden budget een vervoersvoorziening aanschaffen. De budgethouder is met dit budget verantwoordelijk voor de aanschaf van de voorziening en voor verzekering, onderhoud en reparatie. Een pgb voor een vervoersvoorziening wordt in beginsel eenmaal in de zes jaar verstrekt. Het kan voorkomen dat er door een veranderde situatie van deze termijn wordt afgeweken. De voorziening die met het pgb wordt aangeschaft, moet voldoen aan de in de beschikking gestelde eisen en moet het doel realiseren waarvoor de voorziening is toegekend.
Scootmobiel
Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer, bijvoorbeeld om zelf boodschappen te kunnen doen, familie te bezoeken of deel te nemen aan vrijetijdsbesteding en waarvoor andere vervoersmiddelen (eigen auto, (brom)fiets (met trapondersteuning) onvoldoende oplossing bieden. De inwoner dient over voldoende verkeersinzicht en rijvaardigheid te beschikken om veilig aan het verkeer deel te kunnen nemen.
Wanneer uit het onderzoek naar de vervoersbehoefte van de inwoner blijkt dat het gebruik van een scootmobiel niet structureel van aard is (bijvoorbeeld enkel gebruik in de zomermaanden), zal afgewogen moeten worden of het noodzakelijk is om een scootmobiel toe te kennen.
Stallen van scootmobielen (en andere elektrisch aangedreven vervoersmiddelen)
Het college beoordeelt of de scootmobiel gestald kan worden in berging, schuur of garage. De ruimte moet voldoen aan de eisen voor brandveiligheid en toegankelijkheid (Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL), artikel 6.4 en 6.15a en de eisen die de leveranciers stellen).
Als stalling in een berging, schuur of garage niet mogelijk of geschikt is, beoordeelt het college of de scootmobiel in de woning gestald kan worden. Bijvoorbeeld in de hal, bijkeuken of logeerkamer.
Als er geen andere mogelijkheden zijn om een scootmobiel veilig te kunnen stallen dan onderzoekt het college de mogelijkheden voor plaatsing van een scootsafe in de buitenruimte. De scootsafe moet voldoen aan de eisen van de BBL, zoals brandveiligheid en veilige laadvoorziening.
Wanneer geen veilige stallingsmogelijkheid in of rondom de woning kan worden gerealiseerd, kan het college een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening weigeren.
Autoaanpassingen
Autoaanpassingen zijn aanpassingen die het algemeen gebruikelijk karakter van een auto te boven gaan. Het betreft autoaanpassingen die functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking. Faciliteiten die veelal in auto’s zijn ingebouwd kunnen ook door mensen zonder beperkingen worden gebruikt. Deze faciliteiten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hier bijvoorbeeld om elektrisch bedienbare ramen, verstelbare lendesteunen, neerklapbare achterbank, rembekrachtiging, schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, etc.
Of een inwoner in aanmerking komt voor een autoaanpassing wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:
de inwoner heeft aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of beperking die het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken hiervan onevenredig moeilijk maken; en
de inwoner kan geen gebruik maken van het collectief vervoerssysteem, taxi, rolstoeltaxi of ander vervoerssysteem of vervoersmiddel en is hierdoor aangewezen op het gebruik van de eigen auto; en
de aanpassing is medisch noodzakelijk en niet algemeen gebruikelijk; en
de auto wordt voornamelijk gebruikt om te kunnen participeren. Wordt de auto vooral gebruikt voor vervoer van en naar werk dan kan er een aanpassing vanuit het UWV worden verstrekt.
Nadere voorwaarden aan het verlenen van aanpassing aan een eigen auto:
De auto moet in goede staat verkeren en mag in de regel niet ouder zijn dan drie jaar;
De auto mag geen leaseauto zijn;
De kosten voor een autoaanpassing worden maximaal eens in de zeven jaar vergoed;
Er moet een redelijke verhouding zijn tussen de kosten van de aanpassing en de redelijkerwijs te verwachten resterende levensduur van de auto. Als de aanpassing tegen geringe kosten te herplaatsen is in een andere auto (bijvoorbeeld bij een aangepaste autostoel) kan deze voorwaarde vervallen. In die gevallen komt men de eerstvolgende zeven jaar na deze autoaanpassing alleen voor de kosten van herplaatsing van die voorziening in aanmerking;
Tussentijdse kosten als gevolg van autoschade worden door de inwoner of de verzekering van de inwoner zelf opgevangen.
De kosten voor het aanpassen van een auto worden vergoed aan de hand van een door het college goedgekeurde offerte.
HOOFDSTUK 5 › Paragraaf 5.2
Artikel 5.2.2
Individueel vervoer
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oss 2026