Bij wijzigingen van het omgevingsplan dient steeds het gehele plangebied onderzocht te worden, ongeacht de -vermoedelijke- bodemroering. Dit principe wordt gehanteerd om bij het aantreffen van (behoudenswaardige) archeologische resten planaanpassing door bijvoorbeeld verplaatsen van de bodemverstorende ingrepen mogelijk te maken zonder dat bijkomend onderzoek op de nieuwe verstoringslocatie noodzakelijk is.
Bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten) dient uitgegaan te worden van de omvang van de feitelijke bodemverstoring in het plangebied. Overschrijdt deze de oppervlakte-ondergrens én de diepte-ondergrens niet, dan is er geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Worden beide gestelde ondergrenzen overschreden, dan dient het gehele plangebied middels een vooronderonderzoek (doorgaans een bureau- en booronderzoek) onderzocht te worden. In het kader van eventueel vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek en/of opgraving) dient het onderzoeksgebied afgestemd te worden op het verstoringsgebied (wat kleiner kan zijn dan het plangebied). Bij het berekenen van het verstoringsoppervlak, wordt boven het te bebouwen oppervlak een marge 5-10 % opgeteld om de feitelijke omvang van de bouwput, de aan te leggen kabels en leidingsleuven en dergelijke, qua verstoring mee te rekenen.
Op plangebieden, die qua bodemingreep bij concrete plannen (omgevingsvergunningen diverse activiteiten), beneden de vrijstellingsdrempel voor archeologisch onderzoek vallen, blijft de archeologische verwachtingswaarde onverminderd van kracht. Alleen indien uit (voor)onderzoek is gebleken dat er geen archeologische waarden in het (plan)gebied meer te verwachten zijn, kan de functietoekenning Waarde-Archeologie uit het omgevingsplan verwijderd worden.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.1
Plangebied versus bodemverstorende ingreep6 Van de Water 2016.
Onderdeel van Beleidsnotitie Archeologie Gemeente Gemert-Bakel 2026