1. De subsidieontvanger behoeft toestemming van het college voor:

a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

b. het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;

c. het om niet ter beschikking stellen van middelen aan derden;

d. het aangaan en beëindigen van overeenkomstern tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;

e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten tot geldlening;

f. het vormen van voorzieningen en reserves;

g. het anders beschikken over voorzieningen en reserves.

2. Het college kan nadere voorschriften aan de toestemming verbinden.

3. Het college beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.

4. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

5. Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.