Uitvoeringseisen
Bij reparatievlakken groter dan 3 dm³ moet in principe een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort worden ingeschoten; een reparatiemortel is dan niet toegestaan. Dezelfde soort natuursteen biedt de meest duurzame oplossing en sluit op lange termijn qua kleur, textuur en fysische eigenschappen het beste aan bij het oorspronkelijke werk. Grotere oppervlakken mortel kunnen door veroudering afsteken tegen hun omgeving. Als een natuursteensoort niet meer voorhanden is, kan in overleg met Monumenten en Archeologie een andere natuursteensoort worden toegepast.
Nieuwe in te schieten of in te passen natuursteen moet qua hardheid, porositeit en kleur verenigbaar zijn met het bestaande werk. De onderlinge naden tussen het ingeschoten werk en het bestaande blok dienen zo klein mogelijk te zijn.
Reparatiemortels moeten qua vochthuishouding, structuur, kleur en oppervlakteafwerking aansluiten bij de bestaande natuursteen en worden aangebracht op een gezonde ondergrond.
Nieuw aan te brengen natuursteen of het oppervlak van een reparatiemortel dient dezelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie.
Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan. Deze zijn niet te verwijderen zonder schade en dienen in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden, waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag verweert en er vocht achter komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.