**2.2.1..** Het college kan besluiten een aanvraag om algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn (artikel 41, elfde lid, van de Wet) in behandeling te nemen wanneer omstandigheden dit noodzakelijk maken. Hiermee wordt artikel 1.4.1., tweede lid, van de Verordening nader uitgewerkt, gericht op jongeren in een kwetsbare situatie of jongeren voor wie het toepassen van de zoektermijn geen zinvolle bijdrage levert aan het doel ervan. Van dergelijke omstandigheden is in ieder geval sprake wanneer:
de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;
de jongere binnen één jaar voorafgaand aan de melding:
in een inrichting heeft verbleven;
opvang heeft gehad als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; of
bij een pleegouder of in een gezinshuis heeft verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid van de Jeugdwet.
binnen één jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet.
de jongere geen woonadres heeft en als dak- of thuisloze staat ingeschreven met een briefadres in de basisregistratie personen;
de jongere een zorgbehoefte of psychische problematiek heeft waardoor het, naar het oordeel van het college, niet mogelijk of passend is om te zoeken naar werk of scholing, bijvoorbeeld wanneer de jongere in behandeling is bij een psychiater of een GGZ-instelling;
de jongere vanwege dagbesteding of een ander traject niet in staat is om invulling te geven aan het doel van de zoektermijn;
de jongere binnen één jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand heeft ontvangen;
de jongere probleemschulden heeft, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;
Hoofdstuk 2
Artikel 2.2
Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Onderdeel van Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026