Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.4

Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Onderdeel van Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026

2.4.1.. Het college kan bijstand met terugwerkende kracht verlenen wanneer: bijzondere individuele omstandigheden ertoe leiden dat het niet redelijk is om bijstand pas toe te kennen vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet, zoals: een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen; een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt, terwijl dit de aanvrager niet te verwijten valt; de aanvrager had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie; de aanvrager heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen. er omstandigheden zijn die erop wijzen dat er ernstige gevolgen voor de aanvrager zijn, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn: de aanvrager heeft probleemschulden; na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van de aanvrager of is de aanvrager failliet verklaard; na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten. 2.4.2.. Bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag van melding. 2.4.3.. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel