Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 2.5

Jongerennorm

Onderdeel van Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026

2.5.1.. Een zelfstandig wonende inwoner van 18 tot 21 jaar doet voor kosten levensonderhoud in eerste instantie een beroep op zijn onderhoudsplichtige ouders, voor zover dit redelijk is en de middelen van de ouders daartoe toereikend zijn. 2.5.2.. Het college verhoogt de jongerennorm met het in artikel 20, derde lid, van de Wet genoemde bedrag alleen als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan: de jongere kan geen beroep doen op zijn ouders, omdat: de middelen van de ouders niet toereikend zijn; of de jongere het onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde kan maken; én de jongere heeft hogere noodzakelijke kosten van bestaan dan de voor hem geldende jongerennorm dekt. 2.5.3.. De verhoging als bedoeld in het tweede lid wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de jongere (artikel 18, eerste lid, van de Wet). Dat betekent dat: de ophoging lager kan worden vastgesteld bij duidelijk lagere noodzakelijke kosten, bijvoorbeeld vanwege een gunstige woonsituatie (zie artikel 2.6 van deze beleidsregels). de ophoging hoger kan worden vastgesteld bij duidelijk hogere noodzakelijke kosten, tot een toereikend niveau. 2.5.4.. De som van: de van toepassing zijnde norm(en) van artikel 20, eerste en tweede lid, van de Wet, plus de verhoging als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet, is nooit hoger dan de norm genoemd in artikel 21 van de Wet voor een 21-jarige in een vergelijkbare situatie. Indien het standaardbedrag daartoe zou leiden, wordt de ophoging dienovereenkomstig verlaagd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel