Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 12.

Medewerkingsverplichting van de jeugdige, ouders en huisgenoten

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Eersel 2026

De medewerkingsverplichting uit artikel 8.1.2 derde lid van de Jeugdwet heeft betrekking op alle vormen van medewerking die nodig zijn om te kunnen toezien op een rechtmatige verstrekking van een individuele voorziening, zowel bij een pgb als in natura. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening: de jeugdige, de ouder(s) en huisgenoten op te roepen om in persoon te verschijnen en hen te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip; de jeugdige, de ouder(s) en huisgenoten te bevragen en/of onderzoeken door één of meer aangewezen deskundigen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip. De jeugdige, de ouder(s) en de relevante huisgenoten zijn in het kader van de beoordeling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen verplicht medewerking te verlenen aan de oproep zoals bedoeld in het tweede lid onder a en de bevraging en/of onderzoek zoals bedoeld in het tweede lid onder b. De medewerkingsplicht houdt ook in dat zij het college, zowel op verzoek als uit eigen beweging, informeren over feiten en omstandigheden waarvan zij redelijkerwijs kunnen weten dat die van invloed zijn op het recht op de voorziening. Daarnaast kunnen zij worden gevraagd mee te werken aan een bezichtiging van de woon- en leefsituatie of aan een controle van een verstrekte of te verstrekken voorziening. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief. In dat geval kan het college besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel