Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt voor vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
Ouders zorgen in beginsel op eigen kracht voor dit vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder.
Het college kent een vervoersvoorziening alleen toe als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp én er sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige waardoor zelfstandig reizen met het openbaar vervoer niet mogelijk is; én
bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor zij de jeugdige niet kunnen vervoeren of met de jeugdige kunnen meereizen; én
er is geen andere manier om de jeugdige jeugdhulp te bieden, bijvoorbeeld bij een andere aanbieder dichter bij het woonadres. Daarbij hanteert het college het principe van de goedkoopst adequate individuele voorziening.
Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid onderzoekt het college de eigen mogelijkheden en eigen kracht van ouders en netwerk. Daarbij vindt geen toets op financiële draagkracht of vermogen van ouders plaats.
Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk en wordt beëindigd zodra de medische noodzaak of de beperking in de zelfredzaamheid van jeugdige of ouder(s) is opgeheven.
Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.
Bij de toekenning van de vervoersvoorziening bepaalt het college de wijze en het tijdstip van verstrekking of uitbetaling van de vergoeding, evenals de duur van de voorziening of vergoeding, waarbij opnieuw het principe van de goedkoopst adequate individuele voorziening geldt.