Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4.

Artikel 14.

Beoordeling eigen vermogen en probleemoplossend vermogen

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Eersel 2026

Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als uit het onderzoek van het college blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om, binnen de eigen mogelijkheden en zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere hulpverlenende instellingen, de nodige hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering, als die is afgesloten. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen neemt het college, gelet op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hiervoor benodigde hulp in beginsel ook door hen kan worden geleverd. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij verregaande aanpassingen doen en maximaal naar oplossingen zoeken, ook als zij werken, studeren of gescheiden zijn. Uit het onderzoek kan echter blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: geobjectiveerde beperkingen1Geobjectiveerde beperkingen zijn feitelijk vastgestelde, objectief onderbouwde beperkingen in het functioneren van een persoon, die noodzakelijk zijn voor een zorgvuldige en transparante besluitvorming volgens de eisen van de Algemene wet bestuursrecht. om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of (dreigende) overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting is opgeheven. Bij de beoordeling van de in het voorgaande lid bedoelde overbelasting wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om die overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren. Daarbij houdt het college rekening met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de aard, frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; en de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel