Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp in de volgende gevallen:
er bestaat voor de (kern van de) problematiek een recht op grond van de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zvw;
naar het oordeel van het college bestaat er voor de problematiek aanspraak op een voorziening op grond van een andere wet, met uitzondering van een maatwerkvoorziening begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;
er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wlz, maar de jeugdige of zijn ouder(s) weigert mee te werken aan het verkrijgen van een Wlz-besluit.
Als er meerdere oorzaken aan de problematiek ten grondslag liggen en daardoor zowel een vorm van zorg op de grond van Wlz en Zvw als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet mogelijk is, is het college gehouden de jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet te treffen.
De jeugdige of zijn ouder(s) die een aanvraag voor jeugdhulp doet, wordt, als een andere wet voorliggend is, verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening kan worden behandeld.
Bij een verwijzing richting de Wlz wordt, indien gewenst, onafhankelijke cliëntondersteuning ingeschakeld.
HOOFDSTUK 7.
Artikel 28.
Afbakening andere voorzieningen
Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Eersel 2026