Komt in Nederland voor in allerlei landschapstypen, zoals in wegbermen, in graslanden, langs bosranden, in parken en in tuinen. Maakt zijn nestje bovengronds. Is al vroeg in het voorjaar (eind februari) actief en kan tot begin augustus opgemerkt worden.
Voortplanting: nestelt in oude vogelnestjes, in boomholten, in composthopen, in struiken, maar ook onder stenen. Er bestaan ook speciale hommelhotels. Maakt geen gebruik van de traditionele insectenhotels. De weidehommel kan ook geholpen worden door het aanbieden van omgekeerde bloempotten op de grond.
Voedsel: bezoekt nectar van bloeiende kruiden, struiken en bomen. Zit in het vroege voorjaar vaak op bloeiende wilgen, op bolgewassen, longkruid en andere vroege bloeiers. Later in het jaar bezoekt de soort andere soorten die dan bloeien. Daarom is het belangrijk dat er altijd bloeiende vegetatie aanwezig is.
Verbinding: verbind potentieel geschikte gebieden zoveel mogelijk met elkaar, bijvoorbeeld via bloemenrijke bermen.
Geschikte natuurinclusieve maatregelen:
Voortplanting
Hommelhotel (bloempot of vele andere methodes)
Voortplanting
Insectenstenen, dood hout, zand
Voedsel
Groene daktuin, groene gevel en groen dak met grassen, kruiden (en struiken)
Voedsel
(Inheemse) struiken van minstens 2-3 meter hoog
Voedsel
Bloemrijke graslanden / bermen
Voedsel
Geveltuin
Verbinding
Aaneengesloten groengebieden
Verbinding
Gevarieerde bloeiboog, bloemen die in verschillende maanden bloeien (maart – oktober)
Andere soorten die profiteren van deze maatregelen: andere bijen en hommelachtigen, sprinkhanen en krekels en het icarusblauwtje.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.4
Artikel 5.4.14
Weidehommel
Onderdeel van Beleidsregel natuurinclusief bouwen