De planvorming voor gebiedsontwikkeling volgt niet altijd de kadastrale ondergrond. Hierdoor kan het voorkomen dat de eigenaar van perceel B voor zijn ontwikkeling ook het gemeentelijke perceel A nodig heeft. Indien we hieraan wensen mee te werken (o.a. in het kader van het Didam-arrest en het beleid omtrent restgronden) en onze grond wensen te verkopen aan de initiatiefnemer, dan ontstaat een ingewikkelde situatie met betrekking tot het kostenverhaal. Er is namelijk zowel sprake van actief als faciliterend grondbeleid. In figuur 8 is de bovenstaand beschreven situatie schematisch weergegeven.
Figuur 8: Schematische weergave eigendomssituatie voorbeeld gemengd grondeigendom
In de praktijk zijn er verschillende manieren mogelijk om in deze situatie om te gaan met het kostenverhaal. Om de complexiteit zo laag mogelijk te houden, is het uitgangspunt van de gemeente in dit soort situaties dat het ruimtelijke aspect van de ontwikkeling leidend is. Hiermee voorkomen we dat er op basis van het kostenverhaal keuzes gemaakt worden die stedenbouwkundig gezien onwenselijk zijn.
Deze systematiek houdt in dat we voor ons eigen perceel het kostenverhaal verzekeren via grondverkoop en voor het perceel dat in bezit is van de initiatiefnemer een exploitatiebijdrage in rekening brengen. De waarde van de grond zal worden bepaald op basis van een onafhankelijke taxatie. Voor het kostenverhaal bepalen we eerst de exploitatie-bijdrage alsof alle gronden reeds in bezit zijn van de initiatiefnemer en voor beide percelen gezamenlijk één exploitatiebijdrage betaald moet worden. Daarna wordt naar rato van het perceel dat in bezit is van de initiatiefnemer ten opzichte van het totale oppervlak de exploitatiebijdrage bepaald.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.7
Artikel 5.7.3
Mengvormen van kostenverhaal
Onderdeel van Nota Grondbeleid 2023