Naar hoofdinhoud

Artikel 18a.

Afstandsgrenzen en toepassing in het voortgezet onderwijs

Onderdeel van Nadere regels uitvoering leerlingenvervoer Hulst 2026

1.. Voor leerlingen in het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs geldt de afstandsgrens zoals opgenomen in artikel 9 van de verordening (6 kilometer). 2.. Voor leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs bestaat in beginsel geen aanspraak op leerlingenvervoer, tenzij sprake is van: vervoer op grond van denominatie overeenkomstig de verordening; of een structurele lichamelijke, verstandelijke, psychische of zintuiglijke beperking waardoor de leerling niet zelfstandig, al dan niet met begeleiding, naar school kan reizen; of zeer uitzonderlijke medische omstandigheden die het reizen onmogelijk maken. 3.. Het college hanteert bij de beoordeling van vervoersvoorzieningen voor leerlingen in het voortgezet onderwijs de volgende richtlijnen: bij een afstand tot 10 kilometer wordt in beginsel uitgegaan van vervoer per fiets; bij grotere afstanden beoordeelt het college of vervoer per fiets, openbaar vervoer, al dan niet met begeleiding, passend is; het college betrekt daarbij altijd de individuele omstandigheden van de leerling. 4.. Bij de toepassing van lid 3 betrekt het college in ieder geval: de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling; de veiligheid en complexiteit van de route; de reistijd en belasting voor de leerling; de mogelijkheid tot begeleiding door ouders/verzorger(s) of sociaal netwerk; de ontwikkelmogelijkheden richting zelfstandig reizen, waaronder een vervoersontwikkelingsplan. Bij de beoordeling van de zelfredzaamheid van de leerling kan worden meegewogen of de leerling in het verleden zelfstandig of met begeleiding heeft kunnen reizen. Eerdere zelfstandigheid vormt echter geen automatisch criterium voor afwijzing of toekenning van een vervoersvoorziening. Het college beoordeelt steeds de actuele mogelijkheden, belastbaarheid en beperkingen van de leerling, ook bij overgang naar het (voortgezet) speciaal onderwijs. 5.. Het college kan gemotiveerd afwijken van de in lid 3 genoemde richtlijnen indien de individuele omstandigheden van de leerling daartoe aanleiding geven. 6.. De afstand wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 17 van deze nadere regels, op basis van de kortste voldoende begaanbare en veilige weg.

Rechtspraak bij dit artikel