Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 2

Langdurig laag inkomen

Onderdeel van Verordening langdurigheidstoeslag 2010

1.. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de wet verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon: van 21 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar; die langdurig een laag inkomen heeft; geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet; en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. 2.. Niet voor langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, of een studie volgt als genoemd in de WSF 2000. 3.. Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die gedurende de referteperiode een inkomen heeft ontvangen dat hoger was dan 100 procent van de WWB-norm of de van toepassing zijnde norm van de inkomensvoorziening van de WIJ. 4.. In afwijking van het 3e lid wordt een langdurigheidstoeslag verstrekt als: het gezamenlijke inkomen van de belanghebbende en eventuele partner gedurende de referteperiode onder het sociale minimum ligt en in verband daarmee wordt aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet; op de toeslag, zoals genoemd in artikel 3 lid 1, wordt in mindering gebracht het bedrag op jaarbasis waarmee de uitkering (inclusief aanvulling Toeslagenwet) van de belanghebbende, de van toepassing zijnde bijstandsnorm of inkomensvoorziening WIJ overschrijdt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel