**1..** Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de wet verleent het college
op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan
een persoon:
van 21 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar;
die langdurig een laag inkomen heeft;
geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in
artikel 34 van de wet; en
geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
**2..** Niet voor langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, of
een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.
**3..** Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
belanghebbende die gedurende de referteperiode een inkomen heeft
ontvangen dat hoger was dan 100 procent van de WWB-norm of de van
toepassing zijnde norm van de inkomensvoorziening van de WIJ.
**4..** In afwijking van het 3e lid wordt een
langdurigheidstoeslag verstrekt als:
het gezamenlijke inkomen van de belanghebbende en eventuele
partner gedurende de referteperiode onder het sociale
minimum ligt en in verband daarmee wordt aangevuld met een
toeslag op grond van de Toeslagenwet;
op de toeslag, zoals genoemd in artikel 3 lid 1, wordt in
mindering gebracht het bedrag op jaarbasis waarmee de
uitkering (inclusief aanvulling Toeslagenwet) van de
belanghebbende, de van toepassing zijnde bijstandsnorm of
inkomensvoorziening WIJ overschrijdt.