Het uitgangspunt is dat standplaatsen zoveel mogelijk worden geconcentreerd in winkelgebieden. Deze locaties bieden de beste aansluiting bij het winkelend publiek en dragen bij aan een levendig straatbeeld.

Door standplaatsen in of nabij bestaande winkelgebieden te situeren, wordt bovendien de samenhang met de aanwezige detailhandel versterkt en wordt ongewenste versnippering van commerciële activiteiten in de openbare ruimte voorkomen.

Bij het aanwijzen van geschikte standplaatslocaties gelden daarnaast de volgende randvoorwaarden:

  • - Het verkeer en de hoofdlooproutes mogen niet onevenredig worden belemmerd;
  • - Het mag niet (of zo min mogelijk) ten koste gaan van parkeerplaatsen;
  • - Alle toe- en uitgangen van woningen en/of bedrijven dienen onbelemmerd bereikbaar te zijn;
  • - De zichtbaarheid van winkels en horeca dient intact te blijven, evenals de routing vanuit bronpunten;
  • - Er mag geen sprake zijn van onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld;
  • - De standplaats dient minimaal 5 meter van de gevel gesitueerd te zijn conform landelijke richtlijnen, vanwege brandveiligheid maar ook vanwege geuroverlast.

Bij de beoordeling van de exacte maatvoering van een standplaats wordt rekening gehouden met de ruimtelijke situatie ter plaatse. Indien de beschikbare ruimte en de ruimtelijke kwaliteit dit toelaten, kan maatwerk worden toegepast ten aanzien van de afmetingen van het verkoopmiddel.

Ook geldt het uitgangspunt dat standplaatslocaties na iedere dag ontruimd worden. De standplaatsondernemer is verantwoordelijk voor het verwijderen van de kraam of wagen na sluitingstijd. Een uitzondering geldt voor standplaatsen die gedurende een aaneengesloten periode worden ingenomen. Op aaneengesloten verkoopdagen mag het verkoopmiddel op de locatie blijven staan. Na afloop van de laatste aaneengesloten verkoopdag, moet het verkoopmiddel worden verwijderd.